30 mei 1953: Het leggen van de eerste steen voor het crematium in Dieren door burgemeester Jan de Bruin (1902-1958)

de bel van de deur van de kapper van hem en alleman
de door de dienstmeid glanzend gepoetste schoenen
de hand en de vlieg op de rand van de asbak
de geur van old spice, brilcreem en sigaar

het is de onbekende overleden oom
het is zijn zware trage gang niet
het is zijn zware stem nee
het is niet zijn stem

hij is vaders broer
hij is de veel te grote broer
hij is die andere precies zo zelfde
hij is een handvol raadsels in verhalen

hij heeft het erg druk
hij legt een eerste steen
hij opent een crematorium
hij kijkt nog even in de oven

het wordt tenslotte westerveld

 

 

 

 

 

Advertenties

Zweetvoeten en een rood hoofd. Ik praat er niet graag over, het is genant, maar er is groter verdriet. T. had geen zweetvoeten en geen zichtbaar rood hoofd. Hij wandelde in de schemer over een slap koord.

Zomaar, op straat tussen de Albert Heijn en de daklozenopvang zagen we elkaar weer. Ik was zijn naam eerst kwijt. Hij niet de mijne. O ja, T., ik weet het weer. Onze afscheidshug een jaar geleden was niet, zoals verwacht, onze laatste ontmoeting.
Hij haalt uit zijn plastic tasje een net gekochte halve liter.
‘Voor mijn maat’, zegt hij. Deze kon zelf niet naar de winkel. Iets met zijn voet.
Trots vertelt hij dat hijzelf niet meer drinkt, niks gebruikt. Ik zie dat hij eraan hecht, dat ik dit geloof en zonder reserve doe ik dat, want één halve liter zet geen zoden aan de dijk.
In de opvang gaat hij tegenwoordig alleen nog om met die maat van hem en ze hebben het goed met zijn tweeën. Eigen kamer, niets te maken met junks, zuiplappen, dieven, matennaaiers. Hij ziet er goed uit. Met de ogen aanwezig hier, nu.
Hij heeft weer contact met zijn dochter in Dordt, nog steeds met die goede baan op dat advocatenkantoor, geen man en ook geen man nodig. T. mocht zijn kleindochter zien en vasthouden, hij was er al een paar keer geweest.
Ik weet dat hij ook dit verhaal gelooft en schaam me, dat ik denk dat het opgepoetste werkelijkheid is.
En hoe het met mij ging, vraagt hij en daar draai ik me er een beetje uit, op laffe afstand.

Toen.
We hadden volgens hem allebei een Bijbelse naam. Dat zei hij, terwijl we voor het eerst tegenover elkaar zaten te roken. Hij Ruba-shag van de marktkraam, waar hij als het nodig was kon poffen, ik Camel filter van de Primera. Of ik zijn leeftijd kon raden, want hij zag er zo jong uit voor zijn leeftijd, volgens eigen zeggen dan, dus nu voorzichtig zijn. Gokje: ik maakte hem 10 jaar jonger dan ik dacht en dat was precies goed. Oei.
Na twee, drie weken wist ik meer van hem dan van mezelf. Tenminste, die zin hiervoor schrijf ik zomaar neer, alsof het klopt en ineens wil ik heel graag waarheid schrijven vanaf het allerachterste van mijn tong, maar wees gerust: ik vertrouw lezers niet en kijk wel uit.

Die paar weken waren we samen op een plek, waar we niet wilden zijn.
Maar het was er goed.
Mocht dat wel? Soms, voor sommigen? Thuis-achtig, rustig, veilig, en ondertussen kwam de bagger netjes op tafel, vol schuld, razernij en schaamte. Meestal zei dan iemand dat nog best wel meeviel. Niet soft of jankerig en geen stoerdoenerij. En waar nodig een schop voor de kont. Mooi zo!

T. mopperde steeds weer over zijn medicijnen, omdat hij hiervan tieten kreeg.
‘De meeste mannen boven de vijftig krijgen tieten, T., so what.’
Jaja, zal wel, maar voor de rest: hij kreeg hem niet meer omhoog, hij was geen man.

Hij maakte me wegwijs, de eerste dagen. Waar alles lag voor de tosti, dat je rond tien uur een cup-a-soup moest pakken, want om half elf ging de pantry dicht. Zulks.
Maar ook waarschuwde hij mij voor M.; dat ze alles van iedereen jatte, alles deed voor geld, dat ze hem voor vijf euro had willen pijpen. Hij spuugde een beetje terwijl hij dit vertelt.
Hij legt uit waarom R. steeds in wilde weg ‘Help me nou!’ riep. Niemand hielp haar, niemand kon haar helpen, maar T. is kwaad, dat niemand het zelfs ook maar probeert.
Of waarom die oude vrouw buiten altijd alsmaar in boze tongen liep te schreeuwen. Haar man had haar de taal uit geslagen. Jaren opgesloten.
En dat ik met E. uit moest kijken, want het was zijn schuld geweest dat zij zich ’s nachts weer had gesneden. Hij had niet moeten janken op de groep! Of ik alsjeblieft voorzichtig wilde zijn.

Als hij zijn weekgeld weer had gekregen haalde ik voor hem kleine boodschapjes: Kruidvat mobieltegoed, shag en Kukident.
Van het geld wat over was kocht hij zelf dan meestal ansichtkaarten met hondjes, hertjes, poesjes of watervallen, die hij dan weer, met Veel Geluk, Je Kan Het! of zoiets, meegaf aan iemand die vertrok. Daarbij hoorde dan altijd die klemvaste T.-hug. ‘Zag je hoe zij terugdeinsde? Dat is ze niet gewend, hè. Zo’n Bible Belt meisje. De schat. Ze wist niet wat ze ermee moest’ Hij zei dat alsof hij haar nog eens knuffelde. Ik geloof soms in liefde.

Hij bracht mij anekdotes over zijn adembenemende zwerftochten, bezitsloos en dakloos, over eten van de straat, hij kende in elke provincie een instelling. Over hoe zij hem bedroog, over hoe hij daarna in zijn ééntje zijn dochter opvoedde, over wat ik niet verder mag vertellen.
Hij hield van Clapton, die hij ooit in een klein zaaltje zag in Utrecht, lang voordat die bekend was, maar hij hield ook van Snow Patrol. Ach, had hij maar weer zijn radio voor Arrow.
Ik vertelde van alles over zweetvoeten. Mijn zweetvoeten met een rood hoofd. Ik zat daar toch voor zweetvoeten. Schuld en schaamte over zweetvoeten. En dat rode hoofd. Of hoe je mooi weer speelt met blauw en witte wolkjes.

En dan kwam ineens die God van hem op de proppen.

Hij had geen huis meer, nu zijn beschermde woning in puin lag na die laatste psychose. Dat moest van de stemmen. Die waren er nog steeds, nu alleen maar in zijn kamer.
Als hij de deur dicht deed, spraken ze. Vloeken, tieren, hij rook hun zwavel uit de hel.
‘Dan laat je de deur toch open. Dat mag vast wel.’
‘Dat kan niet. Het mag niet van hun,’ zei hij, ‘Ik ben daar niet alleen.’
Dit was geen grap, maar een mes in mijn ziel.

Ik heb hem sinds die ontmoeting op straat al een paar jaar niet gezien. Ik ben ongerust. Ik verzin dat hij nu in Dordrecht zit en dat zijn dochter hem in de gaten houdt. Ik hoop dat hij een dochter heeft. Een kleinkind.

En ik?
Och. Het gaat wel met die voeten, die kop kan me niet veel schelen en het is toch maar een verhaaltje.

Milk, wetter en brea yn Ljouwert .
Mælk, vand og brød i København.
Melk, vann og brød i Oslo.
Mjölk, vatten och bröd i Stockholm.
Milch, Wasser und Brot in München.
Milch, Wasser und Brot in Salzburg.
Млеко, вода и леб во Скопје.
Mlijeko, voda i kruh u Split.
Млеко, вода и хлеб у Београд.
Latte, acqua e pane u Trieste.
Lait, eau et pain à Paris (peut-être, peut-être).
Melk, water en brood in Delft.

[ juli 1972 – juni 2018, jacob de bruin ]

Als ik schrijf dat ik jong ben, ben ik zomaar ineens een jaar of achttien.
Later zal ik dat inderdaad jong vinden.
Ik heb gespaard, ik ben geslaagd, ik ga een maand op reis met de trein door een mij bekend Europees Europa.
Niet naar landen met verderfelijke regimes: Spanje, Portugal en Griekenland. Ik denk dat het een principe is.

De trein stopt in vanzelfsprekende steden.
[ Mælk, vand, brød. ]
In Kopenhagen schijnt de zon. Er zijn daar mooie parken.
[ Melk, vann, brød. ]
Met Oslo kan ik me uitstekend vervelen.
[ Mjölk, vatten, bröd. ]
Stockholm blijkt zoals verwacht een stad. Mensen en auto’s. Routes tussen gebouwen en water met de suggestie van doel en bereikbaarheid.
In een vrijwel lege bioscoopzaal wordt Clockwork Orange Zweeds ondertiteld. Behalve mezelf en een nors stelletje achterin, zie ik alleen haar (wijst schuin naar voren), op de tweede rij, helemaal rechts. Flicka? Ung kvinna? Ze is van mijn leeftijd, hoe heet een jonge vrouw in het Zweeds als je zelf ook nog geen twintig bent?
Als bij de aftiteling het licht weer aangaat blijkt het stel al weg en lopen zij en ik naar de uitgang. Waarschijnlijk zeg ik ‘hi’ tegen haar, waarop zij even glimlacht op een manier die ik niet kan duiden. Ze kijkt daarna snel weg. Ik vermoed dat ze mij eng vindt en heel veel later denk ik zo’n blik te herkennen bij vrouwen met een autistisch aureool. Haastige voetstappen, ik naar links, zij verdwijnt rechts. We kijken nog één keer betrapt achterom. Hoek om. Weg. Ik moet op tijd binnen zijn in de sleep-in ergens verderop op een bedrijventerrein, half uurtje lopen. Ik heb betaald. Er ligt daar een rugzak.

[ Milch, Wasser, Brot. ]
Later, alleen en ver van het pad afgeweken op een steile helling in een naaldbos bij Salzburg, raap ik verbaasd een steen op. Hij heeft de vorm van een voet en past goed in de hand. Deze ga ik jarenlang bewaren., maar vooraf en passant  een dagje Olympisch München doen.
Naast mij onderweg in de trein dommelt een jongen steeds even in. Amerikaans. Morsig. Pukkels? Zuur zweet. Crew cut. Hij noemt de reisgids voor Amerikanen “Europe On Five Dollars A Day”. Trots reist hij veel goedkoper. Hij trekt nu al een maand met zijn EURail-ticket van brouwerij naar brouwerij. Hij sluit zich in elke plaats aan bij een gratis toeristische rondleiding mét proeverij, hoewel dat woord nog niet bestaat. Op goede dagen scoort hij hierbij ook worst met brood of patat en spaart alweer een maaltijd uit. Hij verwacht veel van München. Slapen doet hij onderweg in treinen. Alles gratis: iemand naar mijn hart. Budgettair zijn die drie maanden Europa nu al geslaagd.

Vanaf het station vertrek ik in de door de VVV aangeven richting. Ver weg zie ik het tentdak van het Olympiastadion in aanbouw. Het ontwerp van Frey Otto.
Dit wilde ik zien en nu zie ik het. Klaar, wat nu?

olympisch dorp münchen 1972, zicht op olympiastadion

Olympisch dorp München 1972, zicht op het Olympiastadion

Het geasfalteerde pad loopt langs een glooiende grasvlakte, waar groepjes mensen picknicken. Hier ga ik ook zitten en raak in gesprek met iemand uit India. Hij toont zijn perskaart. Speelt ‘journalist-die-van-wanten-weet’. Hij heeft dagkaarten geritseld voor de toegang tot het olympisch dorp en hiermee kan je daar ook iets te eten halen. Of ik ook eens naar het dorp wil. De dagkaarten zijn misschien een beetje vals, maar het gaat al dagen goed. Oké dan.
Als we ons naar binnen hebben gepokerfacet lopen we rond om te kijken of we iets zien wat we hadden willen zien.
Een onaf recreatiepark. Her en der achtergelaten materieel en bouwmaterialen. De straatjes niet aangeveegd. Veel beton, maar wel helder wit. Niets werpt zich op als bezienswaardigheid. Het is juli. Er zijn nog geen sporters en alleen het restaurant aan het pleintje vlakbij de ingang is open en daar gaan we naar binnen.
‘Suppe und Brot, bitte.
Und ein Kaffee.’
Eetbaar, drinkbaar, gratis en niet gesnapt.
‘Bye, got a train to catch, thanks for all.’ Dat was de Indiër, ik ben zijn naam alweer vergeten. En zijn gezicht.

Na het bos bij Salzburg reis ik maar wat verder. Eerlijk gezegd doe ik maar wat.
Joegoslavië dan maar, diagonaal.
Trein.
[ Млеко, вода, леб. ]
De wijzers van de stationsklok van Skopje staan sinds 26 juli 1963 op 17 over vijf.
Trein.
[ Mlijeko, voda, kruh. ]
Zwalkend langs de boulevard van Split spuugt een oude Kroaat op alles en iedereen: Serviërs, communisten, joden, moslims, vrouwen. Hij huilt het dronkemansverdriet van een fascist, gemarteld en gebrandmerkt met sigarettepeuken van onze partizanen van Tito. Buik en armen. Ik ben in het gezelschap van twee andere Nederlanders en wij besluiten dat het zijn eigen schuld is. Het leven is eenvoudig.
Trein.
[ Млеко, вода, хлеб. ]
Ik wordt moe en Belgrado is ongemakkelijk. Wat is er nou aan Belgrado? Wat doe ik hier? Ik slaap één nacht in een échte hotelkamer. Zevende verdieping. Ik verslaap me en ben te laat voor het ontbijt.
Trein.
[ Latte, acqua, pane. ]
Na Triëst begint de terugreis. Trein.
[ Lait, eau, pain. ]
Twijfel: nog even via Parijs?

De herinnering wordt uiteindelijk een reeks snapshots, een tekst die hakkelt.
Vermoedelijk heb ik iets gewild met mijn reis. Een waterscheiding tussen twee levens en toch de verwachting dat Europa dat zich netjes binnen de lijntjes kleurt.
Ja hoor, alles klopt.
Alleen de steen van die voet in de hand is authentiek, al raak ik die ooit weer kwijt. Ergens. Soms zoek ik die weer even. Nee, nu is hij echt weg.
Ik benadruk dat het geen metafoor is, maar een steen. Voor het geval dat.

Als ik weer thuis ben zullen in september de spelen in München beginnen.
Vervolgens de gijzeling en tenslotte de geschiedenis.

 

 

‘Opa vertel nog eens iets,… van toen.’

‘Ach ja,…  het was in de tijd dat toen nog “toen” heette.
Opa ging naar Kralingen en er was muziek.
En veel mensen.
En regen.
En meer muziek.
En meer regen.
En nog steeds veel, heel veel mensen.’

‘En wat nog meer?’

‘We aten macaroni uit plastic bakjes. Je moest daarvoor wel even in de rij staan. En geld betalen.’

‘Was dat alles?’

‘Nee hoor kind, want voordat opa kletsnat geregend was, koud en bibberend, werd het podium klaargezet voor Jefferson Airplane, die ken jij niet hè?’

Kind schudt hoofd.

‘Na de soundcheck , met 1-2-3-test-t-t-t, of was het nou na het eerste nummer, of eigenlijk weet opa alles niet meer zo goed.
Maar dat podium, op dat podium dus stond een dame, ik denk dat ze een reuzin was, uit het verre Amerika en ze gaf heel duidelijk te kennen gaf geen noot meer te zingen voordat die fucking provinciale amateurs nou eindelijk eens alles met dat licht, geluid en zo écht goed hadden geregeld. 
Die avond probeerde opa te slapen in het park op de grond. De slaapzak ingepakt in plasticfolie.
Nee, dat werkte niet.
Wat was ik koud.
Wat was ik nat.
Wat was ik onder de indruk van Grace Slick, die daar zomaar de baas van de wereld stond te zijn.’

‘Was dat alles, opa?’

‘Ja. Verder heb ik nooit iets meegemaakt, geloof ik, en daarna was was “toen” alweer voorbij.’

‘O.’

Ze zwijgen.

‘Vind je het nog steeds mooie muziek, opa?’

‘Dat weet ik niet meer. Mooi, eh… Ja,… Nou, nee, of ja,… Het is eh… ‘

Opa zwijgt.
Waarschijnlijk denkt hij ergens aan.

“Ken jij War On Drugs, opa?”

“Nee, de naam wel hoor, ook PinkPop toch, geloof ik? Laat maar eens horen.”

 

Elke zin begint met ik.
Ik kan dat schrijven. Het is niet waar en toch begint elke zin met ik.
Heel onaangenaam, al is dat het juiste woord niet. Onaangenaam mist het laakbare, de zonde.

Ik lig in bed.
Ik kan niet slapen.
Ik denk maar steeds aan iets met ik en dat wil ik niet.
Ik knip het bedlampje aan.
Naast mij op het nachtkastje liggen twee bundeltjes korte verhalen. Het ene is van Jan Arends, het andere van J. Bernlef.
Ik verzin dat ik uit elk boek een kort verhaal ga lezen.
Daarna zal ik wel kunnen slapen, omdat ik niet meer aan ik denk.

Alfabetisch en wijselijk kies ik eerst van Arends een naamloos verhaal.
Al snel vergeet ik waar het over gaat. Vooral lees ik een up-tempo dicht aaneengeschreven tekst zonder witruimte, waarbij geen woord weggelaten mag worden. Het is een angstig gebeuren. Zelfs grapjes gaan over de ruggengraat.
Er staat me bij dat ergens halverwege sprake is van erwten, die gelezen zouden moeten worden en ik wil niet uitleggen wat erwtenlezen is.

Daarna lees ik van Bernlef een verhaal dat ‘Bevrijding’ heet.
De taal is even compact en precies als bij het vorige, maar dan met adempauzes. Korte paragrafen van zo’n 5, 6 regels, alsof het strofen zijn en er staat veel geschreven in het wit. Langzaamaan blijkt het de hoofdpersoon een blinde jonge vrouw te zijn aan het einde van de oorlog.
Ook hier is halverwege sprake van erwten. In dit geval worden deze gegeten.

Twee verhalen, met in beide gevallen een bijrol voor erwten.
Ik doe het licht uit met de angst dat deze erwten mij vannacht uit de slaap houden.
Een fijngevoelig ik-prinsje op de erwt.

Bij wijze van anticlimax val ik in slaap. Droomloos, zal later blijken.