vlnr. Klaaske, Willemke, Elske; Neede 1978 (foto Jacob Ronner)

.

Ongeveer veertig jaar geleden moet oom Jaap deze foto hebben gemaakt van mijn grootmoeder en haar beide dochters.

Zo zag grootmoeke er uit in haar laatste jaar. Broos, klein en wit met een rood blosje bij die altijd weer opkomende hoofdpijn.
Dit is haar kamer. Achter het gordijntje een opklapbed, erboven een rijtje boeken, verderop nog meer boeken in de boekenmolen.
En meer? Foto’s op een theekastje? Kleedjes? Er hangen twee schilderijtjes van grootvader (hutje op de hei, woonarkje ergens) en één van Jan (anemonen, litho?). De legpuzzel aan kant vanwege bezoek. De geur van Boldoot.

Wij zijn in 1978 samen bij haar op audiëntie geweest, de dag nadat we in Leeuwarden getrouwd waren. Zij was er niet bij geweest, al jaren te ziek om te reizen. Een verplichting dus aan onze familieoudste; die dominante vrouw, intelligent, fel en vaak onverbiddelijk. En daar zat ik dan als jochie van 25 aan de thee met twee vrouwen, die elkaar mochten en van wie ik hield en houd. Beide met het hart op de tong, dat hart dus.

Deze keer zonder de bekende verhalen over het arbeidersmeisje en de hoge heren. Het ging nu over liefde. Over de bovenmenselijke goedheid van haar in 1945 overleden echtgenoot, die haar De Literatuur, de SDAP en de blauwe knoop had leren kennen.
We wisten al dat ze dagelijks bij alles haar man raadpleegde, maar nu ging ze verder. Haar liefde voor die man had levenslang altijd boven alles gestaan, boven die voor zichzelf en zeker boven haar liefde voor haar kinderen. Bij andere vrouwen was dat vaak andersom en dat begreep zij niet. ‘Wat had je daar nou aan?’

Oef?

Zij wilde ons, pasgetrouwd stel, blijkbaar iets meegeven. Een opdracht vol mooi en lelijk.
Aan de ene kant werd hier een lat op de duizelingwekkende hoogte van een allesoverstijgende liefde gelegd. Maar wij waren mensen, zoveel was zeker.
Aan de andere kant was het niet niks dat een vrouw van bijna 90, ons als stel iets vertelde, dat ze mogelijk haar dochters verzweeg.
Lelijk, toen al: het bleek haar mogelijk een rangorde in liefde aan te geven. Ik hoop dat dat niet kan. Natuurlijk kan dat niet. Wil ik niet.
Mooi, nu nog steeds: ik kan zomaar een bandje met haar stem afspelen. Dat wil ik niet kwijt.

Het allermooiste staat buiten beeld, tussen alle smerige details, mooi te wezen.

Advertenties

dit is iets
anders dan bang
banger nu niets ons schreef
niets verzweeg
dat dit nooit gelezen is

niets is gebeurd
niets wordt door ons gemist
jouw huid en mijn huid en
jouw geur en weer
jouw geur

die er nooit was
die nooit vervliegt
wij waren nergens en
daarna nergens
en zeker daar niet

Misschien is het vijf jaar geleden. Het komt niet zo precies, als je terugdenkt aan iets waar van alles aan schort. Iemand wist dat hij van altijd van boerenkool had gehouden. Met worst. Kuiltje jus. En die iemand had dat de keuken verteld.

Sjoerd was hier niet op zijn plek, dat wist iedereen behalve hijzelf. 45 jaar geloof ik? Ik moet toen 60 zijn geweest. Anders dan hij wist ik dat.
Gisteravond laat was hij binnengebracht door een zus, die misschien zijn vrouw was. In een apart kamertje werd iets besproken, er werd rondgebeld, rondgeleid en daarna keek iedereen bezorgd.
Hij niet. Hij stond. Ergens. Hem werd een stoel (stoel?) gewezen. Hij ging zitten (zitten?) en scande wanden van een ruimte, niet eens op zoek naar herkenning.

De volgende dag kwamen we hem overal tegen, gehaast door gangen, langs kamers. Een balletje, dat onontkoombaar na wat plingetjes in de flipperkast naar beneden rolt, score 0, en weer, en weer, en weer, enzovoorts.
Maar ’s avonds was er boerenkool. Zijn boerenkool, zijn worst en zijn kuiltje jus.

“Lekker hè, boerenkool,” zei iemand toen de tafel net was afgeruimd en iedereen was opgestaan.
Sjoerd stond op dat moment vlak voor me. En brak.
Iemand anders zei: “Hij weet het niet. Hij is het al kwijt.”

Ik weet niet wat me bezielde, maar ik heb een huilend kind met mijn beide linkerarmen omhelsd en me geschaamd voor wat als leugen voelde. Wel voelde. Niet voelde. Wat had ik nou met Sjoerd te maken? Ik droeg geen schuld aan dit moment en toch vertrouwde ik mezelf niet en nu nog: ik schrijf dit en wil dit laten lezen.

Onbeholpen zacht heb ik hem gezegd: “It komt allegeare wol goed, Sjoerd”. De toverspreuk van mijn Beppe, waarmee zij alle ongerief bezwoer.
Sjoerd kwam oorspronkelijk uit Heeg, ook Friesland dus en ik hoopte, dat iets Fries bij hem binnen zou komen. Hoogmoedig sprak ik zelfs zijn naam uit zoals ik dat vroeger in Leeuwarden zou hebben gedaan: met een stomme r voor de d, ongeveer zoals in het Engelse hard.

Beppe kon dit altijd zomaar onbevangen zeggen. Oprecht. Geen twijfel. Alles komt altijd wel weer goed. Haar God-loos geloof in het goede in mens en heelal.

Een dag later kwam er een plaats vrij, waar Sjoerd op zijn plek zou zijn.
Iedereen vond dat hij daar op zijn plek was.


Vanochtend maar weer eens iets op een rijtje gezet.
Het thuiswerk nog op zwart, waarboven:
– het consult;
– een alfabet valt, een alfabet vlucht;
– de toespraak.
En dan moet je maar geloven dat ik er iets bij heb gedacht.
Geloof je dat?
Mooi zo.

Natuurlijk heb je gelijk: ik ben een ijdeltuit.
En nu aan het werk.

*

Zelfde plek, ’s middags.
Schilderij proberen te redden dat erg lelijk was. Niet vertederend lelijk, maar lelijk lelijk.

Natuurlijk heb je gelijk.
ik ben rommelkont en dilettant, naast veel anders.

Op het scherm YouTube met FU-CHING-GIDO 放浪 Hourou.
Dat ik daar iets bij heb gedacht?
Geloof je dat?
Mooi zo.

Ik heb mijn naam te groot op het schilderij gezet.

Dat ik dat daar tevreden mee ben?
Geloof je dat?

*

De eerste recensie gehad.
Lelijk.
Mooi zo.

A.L. Snijders met microfoon

Over tien jaar zou ik me de dag van gister (28-10-2018) kunnen herinneren. Het voornemen deze dag niet te vergeten zal ik tegen die tijd waarschijnlijk vergeten zijn.

Mijn herinnering zou kunnen beginnen met Facebook een dag eerder. Het toont mij als eendags 65-jarige reclame voor mannen met ongewenst urineverlies. De tekst over incontinentiehulpmiddelen voor mannen toont een frisse, sportieve, A.Vogelgezonde 70-plusser met sikje, die geen drupje ongewenst zal lekken.
Deze herinnering is overigens een afleidingsmanoeuvre.

De herinnering vervolgt met het lezen van het zeer korte verhaal Roem van A.L Snijders, dat hij die dag heeft voorgelezen op de radio bij De ochtend van 4.
Ik schrok, omdat hij schrijft, wat een struisvogel niet durft denken. Hier praat ik niet over: “Die fascinatie voor roem is merkwaardig, omdat ik eigenlijk alleen geïnteresseerd ben in de anonieme mens, met z’n verdriet, tegenslag en eenzaamheid. En helemaal de laatste jaren, nu duidelijk is dat het overweldigende succes van de mens tot zijn ondergang op aarde zal leiden. Nog twee generaties, schat ik, dan is het gebeurd.” Dit is het slot van zijn verhaal en die allerlaatste zin snijdt als angst voor een mogelijke waarheid.

Door het woord roem herinner ik de kamer, waarin ooit mijn grootmoeder en haar twee dochters moeten hebben gezeten. Een overlevering. Het is stil, behalve een klok die tikt. In haar hoekje wijst de jongste haar pop terecht. Want die was stout. “Domme! Trui! Domme-domme!” Trui krijgt voor de billen. De poppenmoeder is mijn moeder in de rol van háár moeder, mijn grootmoeder dus en dit vertelt iets over het temperament van mijn grootmoeder en ik herinner me haar opvliegende aard, haar onverzoenlijkheid en haar bedrevenheid in volgens onze oren zeer beleefde bastaardvloeken.
De pop Trui van mijn moeder was (neem ik aan) vernoemd naar mijn grootvaders tante Trui, die evenals haar man, zijn oom Oebele, een straatnaam in Heerenveen is geworden en ze heeft een echte wiki-pagina. Ze waren beroemd
De roem van Trui, ook als pop van mijn moeder.

En er was nog iets gister, maar dat ben ik vergeten. Nu al.

Let wel: hier staat nog niet de helft, wat er zou kunnen staan. Er is zoveel, dat… er zijn zoveel die… et cetera.

Als ik me dit over tien jaar herinner, dan leef ik nog, blijkbaar,
Naar ik hoop met ieder van wie ik hou, maar over wie ik niet schrijven mag, omdat ze buiten tekst echt bestaan.
Maar ook grootmoeder leeft nog steeds (met haar goegelemina!), nu als tekst. En Trui en Oebele. De pop van mijn moeder bestaat.
Het verval van mijn geestelijke vermogens valt blijkbaar mee, al is dat een bedroevend egocentrische gedachte.

De komende tien jaar zal meer duidelijk worden over het hoe en wanneer van de ondergang van alles wat onze miniverhaaltjes mogelijk maakt. Verhaaltjes zonder roem en glorie, vol verdriet, tegenslag en eenzaamheid. Knusse kachelverhaaltjes, al vallen die vast ook wel onder eenzaam verdriet.
Wat niets wegneemt van de angst die groter is dan die voor dood of dementie.

Ik doe net of er de komende tien jaar niets belangwekkends gebeurt en ik mijn eigen verhaaltje leef.
Daarin schrijf ik de vrees dat over tien jaar incontinentiemateriaal voor mij aan te bevelen zal zijn, maar dat het mij geen barst meer zal kunnen schelen,

Als je spreekt over twee generaties terug, dan heb je het over mijn grootouders en een generatie eerder over vergeten beroemde idealisten als Trui en Oebele, met de verheffing van het volk en iets met vrouwen, de Friese beweging en drankbestrijding. Conflicten met Domela Nieuwenhuis en Troelstra, soit, praten we niet meer over.
Maar twee generaties vooruit, dan heb je het over onze kleinkinderen.
Wat is bang toch een klein woordje.

Trui Jentink (1852-1918) en Oebele Stelllingwerf (1847-1897)