ineens weet ik het

ik ben een meneer
ik ben een meneer want
ik zie steeds
mevrouwen mooie
mevrouwen

ik werk en
loop op straat
en overal
mevrouwen mooie
mevrouwen

nu ben ik
oud glas en
zie nog altijd
mevrouwen mooie
mevrouwen

de rest is geschiedenis

© jacob de bruin

 

er is geen poort
geen brug
geen muur
geen kamer
geen heelal

er zijn er
die
van jan arends weten
en dagelijks
niet springen

anderen
vinden blind
zonder tekst
hun raam
hun balustrade

er is geen poort
geen brug
geen muur
geen weten dan
een vluchtig hoekig iets dat draait

ach – onze lieve lieve slachter
van het verbloede
het ontvelde het
uitgebeende –
laat alsjeblieft ons woord genadig falen

© jacob de bruin

aan-de-slachter

 

 

dat dat dat
dit

dat ik de trage trein doe die het landschap beweegt
dat ik dit niet zeg
dat ik niets zeg

dat ik doe alsof jij niet hoort
dat ik niets zeg
dat niet ik zwijg

dat je doet alsof je niet merkt
dat ik doe alsof
dat niet ik dit doe

dat dat dat
dit

dat onze ogen als collectezakjes rondgaan
dat deze betrapt elkaar kunnen kruisen
dat ze zichzelf ergens zullen hervinden

dat er een punt op de vloer is
dat dat snoeppapiertje dat daar ligt
dat dit ons anker wordt

dat jij hier omdat ik niet
dat ik daar want jij niet
dat onze afwezigheid ergens anders is

dat dat dat
dit

Dat moet dan maar.
Er moet immers worden geruimd.

1981 was het jaar dat ik afstudeerde.
Architectuur. Ontwerp voor een stukje van het Oude Westen in Rotterdam. Klaar.
Ik stopte alle tekeningen in een koker en koos een ander vak.
Met gesmeerde boterhammen.
Zonder spijt, maar wel met weemoed.

Er is iemand die zich verbaast dat ik zoiets uit 1981 nog steeds met me mee sleep.
Ik snap het zelf ook niet, maar ik heb niet voor snapper geleerd.
Dat is weer een ander vak.

Maar het moet dus.
Nu, hupsakee!
Papier bij papier.
Plastic bij plastic.