archiveren

proza

Ugchelen, 01-02-2019

Misschien wilt u een verklaring.
Er staan duidelijke borden in het bos en er is een bruggetje, alsof twee gelijksoortige paden identieke verhalen zijn, die verbonden moeten worden.
De beste verklaring van het pad is het pad zelf, verzin ik net. Dat bruggetje snap ik niet.

Advertenties

Tegenover de brede dwarsstraat op de winkelstraat staat al jaren het woord HOME op de vensterbank van één van de flatjes. Witte letters in spiegelbeeld.

Woorden als HOME en LOVE in de uitstalling van het raam maken me beetje onrustig, want ik wil iedereen begrijpen. Andere mensen schrijven hier soms THUIS of LIEFS. Ook dat gebeurt.
Ik ben ervan overtuigd, dat er een mensenwereld bestaat, waarin het prettig is de wereld buiten te vertellen dat het binnen warm is en knus. Lees maar, buitenstaander, hierbinnen woont HOME! Pas maar op, LOVE, ik hou van jou. Elk venster is een etalage.

Moeilijker? In de vensterbank het woord HOME, maar dan alleen leesbaar voor de HOME-bewoner. Hierbinnen wil men niet vergeten, dat het daar thuis is.

En er ook zijn ramen vol spaties. Dit betekent niets. Klaar.

Echt onrustbarend is voor mij het woord HOME achter die ruit van dat ene flatje in het winkelgebied.. Het is ooit van binnenuit leesbaar voor het raam geplaatst, waarna de letter E is omgevallen en deze ligt er nu al maanden als underscore naast de letters MOH.
Wat gebeurt daar toch in dat huis, wat denkt het hoofd dat daar woont? Leeft daar een onverschillig, somber iemand, is deze misschien overhaast op wereldreis gegaan.

_MOH.
Er ligt daar een lijk.
Ik denk, dat ik vliegen zie.

Nu als roodborstje kwam de oude man maar weer eens op bezoek bij X en Y, zijn twee onbekenden.
Hij was al meer dan een jaar dood en erg nieuwsgierig: hoe gaat het met de akelei, de kamperfoelie, met de vijver?
Er was vast wel iets gebeurd, wat dacht je dan?

Bijvoorbeeld X, die omzichtig en vol bewondering de pen en gat verbindingen van het schuurtje sloopt met schroevendraaier, zaag en moker.
Die van deuren scharnieren en grendels verwijdert en deze niet meer kan openen of sluiten. Dit ook niet wil.
Mogelijk was er nooit een schuur, geen dak, geen deur en blijkt X een twijfelgeval.

Maar dan Y, die van elke muur een raam maakt met het gemak van een sloopkogel.
Er is ineens veel woestenij om iets te doen gebeuren.
Het roodborstje vond er nog niet veel aan. Het was wel gezellig bij die twee, dat wel.

Ondertussen spit X de tuin om en hoopt dat de oude man er nooit een hond begroef.

.

Afscheidsconcert Pugh's Place (10-10-1971) - Hans Kerkhoven

Afscheidsconcert Pugh’s Place (10-10-1971) – Hans Kerkhoven

.

Als ik goed mijn best doe, ga ik me herinneren, dat ik erbij was op 10 oktober 1971 in de oude Harmonie in Leeuwarden. Het afscheidsconcert van Pugh’s Place, dus. Ja? Nee?

Ik herinner het mij nog niet helemaal, dus ga ik beter mijn best doen.
Natuurlijk was ik erbij.
Ik was immers bij alle 12 Pow-Wow’s, minifestivals op zondagmiddag in de oude Harmonie in Leeuwarden.
Geloof ik.

De beweegbare vloer van de zaal van de oude Harmonie in Leeuwarden was voor deze zondag tot horizontaal dansbaar gevijzeld, stoelen eruit, stoffige vloer aangeveegd, het publiek heeft snel wat papier en plastic bakjes gestrooid, er zijn kartonnen bekertjes, er liggen platgetrapte peuken. Denk ik.

En ik herinner me Pugh’s Place natuurlijk, onze Leeuwarder trots: de band, die maar niet door wilde breken. Eigenlijk weet ik alleen nog iets van de gitaar van Hans Kerkhoven en de vibrafoon van Nanne Kalma. En de Hammond, dat ding met een draaidende speaker bovenop. Dwarsfluit, was ik bijna vergeten. Lichtorgeltje.

Maar toch?
Nee hoor, ik was er bij, weet je wel?

Ik herinner me bijvoorbeeld heel precies: Ferre Grignard, CCC Inc, Michael Chapman, Kevin Ayers and The Whole World, Crazy World of Arthur Brown, Jackson Browne (die dus niet kwam), Solution, Supersister, de dansers van Bewth, die prachtige lichtshow van hoe heetten ze ook al weer – je weet wel – ja die, de aanstekelijk direct op de filmstrook getekende filmpjes van Norman McLaren en alles wat ik allemaal vergeten ben: dat weet ik nog.
En Hare Krishna,  wierook. tijgerbalsem, Afghaanse jassen.

Belangrijk: er waren meisjes. Die waren vaak vrolijk of juist niet en ze hadden zich mooi gemaakt.
Ikzelf droeg het zwarte pothoedje van Beppe, uitgedeukt, lint afgescheurd. Hier heb ik een gedachte bij gehad.
Of anders was het die door mezelf gehaakte haarband.
Hoedje kwijt, misschien.

En Pugh’s Place op het hoofdpodium? Geen idee. Zal wel. Youtube zegt het.

.

.

Nothing Is Real Here vond ik toen leuker. Dat nummer had toch wel bijna de top 40 gehaald, herinner ik me. Het  is wel een beetje drakerige prog, toch?

.

.

Wandelgang:
[…] CAO-paragraaf […]

Op straat, vlak bij de Albert Heijn:
[…] heb je dat dan niet gevraagd […]

Stoplicht Deventerstraat/Stationsstraat:
[…] ja met mij – ik bel je even – luister – ik moet je iets vertellen – heel erg – ik ben naar de schoenwinkel gegaan en heb twee paar gekocht […] nee écht, twee [..] nee – ik ga nu naar huis [..]

en toen ben ik de rest vergeten, terwijl ik oprecht van plan was onderweg van alles te onthouden.

vlnr. Klaaske, Willemke, Elske; Neede 1978 (foto Jacob Ronner)

.

Ongeveer veertig jaar geleden moet oom Jaap deze foto hebben gemaakt van mijn grootmoeder en haar beide dochters.

Zo zag grootmoeke er uit in haar laatste jaar. Broos, klein en wit met een rood blosje bij die altijd weer opkomende hoofdpijn.
Dit is haar kamer. Achter het gordijntje een opklapbed, erboven een rijtje boeken, verderop nog meer boeken in de boekenmolen.
En meer? Foto’s op een theekastje? Kleedjes? Er hangen twee schilderijtjes van grootvader (hutje op de hei, woonarkje ergens) en één van Jan (anemonen, litho?). De legpuzzel aan kant vanwege bezoek. De geur van Boldoot.

Wij zijn in 1978 samen bij haar op audiëntie geweest, de dag nadat we in Leeuwarden getrouwd waren. Zij was er niet bij geweest, al jaren te ziek om te reizen. Een verplichting dus aan onze familieoudste; die dominante vrouw, intelligent, fel en vaak onverbiddelijk. En daar zat ik dan als jochie van 25 aan de thee met twee vrouwen, die elkaar mochten en van wie ik hield en houd. Beide met het hart op de tong, dat hart dus.

Deze keer zonder de bekende verhalen over het arbeidersmeisje en de hoge heren. Het ging nu over liefde. Over de bovenmenselijke goedheid van haar in 1945 overleden echtgenoot, die haar De Literatuur, de SDAP en de blauwe knoop had leren kennen.
We wisten al dat ze dagelijks bij alles haar man raadpleegde, maar nu ging ze verder. Haar liefde voor die man had levenslang altijd boven alles gestaan, boven die voor zichzelf en zeker boven haar liefde voor haar kinderen. Bij andere vrouwen was dat vaak andersom en dat begreep zij niet. ‘Wat had je daar nou aan?’

Oef?

Zij wilde ons, pasgetrouwd stel, blijkbaar iets meegeven. Een opdracht vol mooi en lelijk.
Aan de ene kant werd hier een lat op de duizelingwekkende hoogte van een allesoverstijgende liefde gelegd. Maar wij waren mensen, zoveel was zeker.
Aan de andere kant was het niet niks dat een vrouw van bijna 90, ons als stel iets vertelde, dat ze mogelijk haar dochters verzweeg.
Lelijk, toen al: het bleek haar mogelijk een rangorde in liefde aan te geven. Ik hoop dat dat niet kan. Natuurlijk kan dat niet. Wil ik niet.
Mooi, nu nog steeds: ik kan zomaar een bandje met haar stem afspelen. Dat wil ik niet kwijt.

Het allermooiste staat buiten beeld, tussen alle smerige details, mooi te wezen.

Misschien is het vijf jaar geleden. Het komt niet zo precies, als je terugdenkt aan iets waar van alles aan schort. Iemand wist dat hij van altijd van boerenkool had gehouden. Met worst. Kuiltje jus. En die iemand had dat de keuken verteld.

Sjoerd was hier niet op zijn plek, dat wist iedereen behalve hijzelf. 45 jaar geloof ik? Ik moet toen 60 zijn geweest. Anders dan hij wist ik dat.
Gisteravond laat was hij binnengebracht door een zus, die misschien zijn vrouw was. In een apart kamertje werd iets besproken, er werd rondgebeld, rondgeleid en daarna keek iedereen bezorgd.
Hij niet. Hij stond. Ergens. Hem werd een stoel (stoel?) gewezen. Hij ging zitten (zitten?) en scande wanden van een ruimte, niet eens op zoek naar herkenning.

De volgende dag kwamen we hem overal tegen, gehaast door gangen, langs kamers. Een balletje, dat onontkoombaar na wat plingetjes in de flipperkast naar beneden rolt, score 0, en weer, en weer, en weer, enzovoorts.
Maar ’s avonds was er boerenkool. Zijn boerenkool, zijn worst en zijn kuiltje jus.

“Lekker hè, boerenkool,” zei iemand toen de tafel net was afgeruimd en iedereen was opgestaan.
Sjoerd stond op dat moment vlak voor me. En brak.
Iemand anders zei: “Hij weet het niet. Hij is het al kwijt.”

Ik weet niet wat me bezielde, maar ik heb een huilend kind met mijn beide linkerarmen omhelsd en me geschaamd voor wat als leugen voelde. Wel voelde. Niet voelde. Wat had ik nou met Sjoerd te maken? Ik droeg geen schuld aan dit moment en toch vertrouwde ik mezelf niet en nu nog: ik schrijf dit en wil dit laten lezen.

Onbeholpen zacht heb ik hem gezegd: “It komt allegeare wol goed, Sjoerd”. De toverspreuk van mijn Beppe, waarmee zij alle ongerief bezwoer.
Sjoerd kwam oorspronkelijk uit Heeg, ook Friesland dus en ik hoopte, dat iets Fries bij hem binnen zou komen. Hoogmoedig sprak ik zelfs zijn naam uit zoals ik dat vroeger in Leeuwarden zou hebben gedaan: met een stomme r voor de d, ongeveer zoals in het Engelse hard.

Beppe kon dit altijd zomaar onbevangen zeggen. Oprecht. Geen twijfel. Alles komt altijd wel weer goed. Haar God-loos geloof in het goede in mens en heelal.

Een dag later kwam er een plaats vrij, waar Sjoerd op zijn plek zou zijn.
Iedereen vond dat hij daar op zijn plek was.