archiveren

proza

In dit verhaal ben ik een man van 65 in een stadsbus.
Voor mij zit een 83-jarige vrouw. Ze draagt een met zorg uit de catalogus van een Duits postorderbedrijf uitgekozen jas. Modieus, nieuw en prijzig.
We hadden samen lang staan wachten bij de halte voor het ziekenhuis en daar vertelde ze mij van haar twaalf tropenjaren ergens in een niet nader aangeduid Afrika en dat het op 900 meter hoogte wel meeviel met de tropische hitte. Ze had daar gewoond in verband met het werk van haar overleden echtgenoot. Ze zou zo weer terug willen. Hoewel ze al jaren weer in Nederland woonde, was dat nooit meer thuis geworden.
Na een tijdje drukt ze op de stopknop voor de halte waar ik ook uit zal stappen.
Te vroeg staat ze op om alvast naar de uitgang te lopen en verliest bij de zwaai van de bus in de onvermijdelijke laatste bocht haar evenwicht.
Ik vang haar nog net op en grijp haar hierbij stevig vast om haar middel. Intiemer dan bedoeld, maar welkom, blijkbaar.
‘Het gebeurt me niet vaak, dat ik zo door een jonge man wordt vastgepakt’, zegt ze. Ze lacht.
‘Graag gedaan’, zeg ik gemeend. Ik ben niet vaak een jonge man.
We blozen, geloof ik, al zie je er niets van, dan checken we uit en staan we op straat. Het miezert.
Ik steek over en kijk achterom. De vrouw kijkt recht voor zich. Stapt. Ik zoek een beter woord dan dat goedkope ‘kordaat’.
Ze kijkt vooruit, ziet niks, ziet zichzelf. Ze is midden dertig, loopt op die hoogvlakte ergens in dat niet nader aangeduid Afrika en denkt aan iemand.

Advertenties

Onvermijdelijk.
Aan alles ging iets vooraf.
De tijd vlak voordat ik geboren was intrigeert me: alles wat ik zal gaan kennen bestaat al en wacht alleen nog op mijn binnenkomst.
Waar was ikzelf eigenlijk op dat moment en kan dat zomaar: mijn wereld zonder mij?

Pake’s handschrift

Hierboven staat een stukje handschrift in potlood van mijn pake, de vader van mijn vader.
Pake ken ik alleen maar uit verhalen, hij overleed een half jaar voor mijn geboorte.
Beppe’s stem zou ik ook nu nog wel herkennen, maar pake moet ik raden, ik geef hem meestal de stem van mijn vader en dan iets donkerder.

Vanwege de inhoud heb ik het blaadje moeilijk leesbaar gemaakt, al zie je nog wel hoe de hand van pake letters zet.
Regelmatig, met kracht, vlot, leesbaar. Het klopt met mijn vermoeden van die man: sterk en zelfbewust. Waarschijnlijk dominant.
Een man met successen: hij was gemeenteraadslid voor de SDAP, zat na de oorlog in een tribunaal voor de berechting van politieke delicten, was trouwambtenaar en werkte zich op bij de Keuringsdienst van Waren. Hij bestond.
Hij ging wel een paar keer flink onderuit met die winkels van de Coöperatie in Ternaard en Wormerveer, hij mislukte daarvoor ook al als aardappelboer en deed later ook nog wel eens iets doms op huizenveilingen.
Dit alles in ieder geval met veerkracht, durf én een motorfiets.
Ik vermoed dat mijn ‘De Verovering Van Het Brood’ van Kropotkyn uit zijn boekenkast komt. Iets anarchistisch past wel in mijn romantische beeld van een jongere Pake.

Het afgebeelde blaadje beschrijft zijn drie kinderen met hun gezinnen, onder andere dat van mijn vader en moeder met hun vijf kinderen: een, ook zonder mij, compleet gezin.

Op een ander blaadje staat nog een ander tweede, jong gestorven kind met dezelfde naam als mijn vader.
Er staat bij dat deze is overleden bij een keeloperatie in verband met difterie en dat zijn lichaam in verband met besmettingsgevaar niet naar Ternaard mocht worden vervoerd en dus in Leeuwarden is begraven. Een zakelijk verslag van verdriet. Tien maanden later werd mijn vader geboren.

Beethovenplantsoen in aanbouw

In 1950 verhuisden mijn ouders met vijf kinderen naar het huis, dat op de foto hierboven in aanbouw is; eigenlijk links net buiten beeld.
Dit huis werd mijn thuis in de achttien jaren dat ik in Leeuwarden woonde.
Toen deze foto is genomen, was ik er dus nog niet, al herken ik de plek. De fotograaf stond voor nummer 8 in de latere speeltuin.

In dit huis op nummer 6 ben ik trouwens niet geboren, maar hoogstwaarschijnlijk wel verwekt.
Daar. Mijn ouders, dus.
En die tafel later, waaraan ik hen van nabij zag, vaak in moeilijk vaarwater.
Een beeld vormen van dat allereerste moment, ongeveer ten tijde van De Ramp in Zeeland, ongeveer 9 maanden voordat ik geboren ben?
Het lukt me niet.
Ik vermoed liefde en hoop op lust.
Ik verzin soms zelfs dat het ongenadig stormde.

Op een bankje in het park denk ik aan Hans Verhagen in 2008. Zijn bundel ‘Sterren, Bellen, Cirkels’ wilde graag worden gesigneerd en dat kon.
‘In welk jaar ben je geboren, Jacob?’, vroeg hij.
‘In drieënvijftig’, antwoordde ik.
‘Dan doen we die!’ Hij sloeg pagina 65 op. Op dat moment leek het een logische keuze. Ik was geboren in 1953. Kraamkliniek, Schapendijkje, Leeuwarden. De bundel was van 1968 uitgegeven en door mij gekocht in 1974 bij V&D in Leeuwarden in de uitverkoop afgeprijsd van 6,90 naar 2 gulden. De signeersessie was in Deventer op 02-08-2008, een mooie datum.
Pagina 65 dus. “Verboden over het gras te lopen” was de gekozen dichtregel voor de opdracht.

Dat ik zijn poëzie bij V&D kocht paste overigens niet in het verleden dat Verhagen zichzelf had toegedacht.
Die winkel was van het establishment en hij niet. De bewijslast van mijn bewaarde kassabon overtuigde hem niet.

En nu zit ik in een park. De vroege avond na een prachtige dag.
Overal gebruiksgroen.
Gras. Groepjes mensen. Vijver, fontein, hoogbejaarde bomen en tulpen, veelkleurig net als de bezoekers en eveneens op kleur gerangschikt.
Eendjes, peuter, brood en opa. Voetbal, vader en zoon. Geroezemoes, taalloos. Gedoseerde verveling.

In het gedicht van Verhagen wordt eind jaren zestig al gesteld dat je steeds minder bordjes met niet op het gras zag, maar ze waren er nog wel. Ik heb ze allang niet meer gezien. Tijdsbeeld, net als het gebruik van ready mades in poëzie.

Eén potje zeuren sta ik mezelf toe zonder veel hoop dat iemand snapt wat ik denk te bedoelen.
Aan de overkant van de vijver zet een jongen zijn bierflesje weg en gaat tegen de heg staan plassen. Zijn vriendin gaat achter hem staan met gesloten ogen en slaat gemoedelijk haar armen om zijn middel, terwijl hij doorpiest.
Ik wil best wel weer jong zijn. Of iemand anders, ook goed. Als het maar ongecompliceerd is.

De Bruin is een vage, saaie achternaam die veel voorkomt.

Waarschijnlijk is deze voor onze tak aangenomen door ene Jan Hendriks aan het eind van de 18e eeuw. Deze is geboren op 7 november 1759 in Holwerd, de tweede zoon van Hendrik Folkerts en Janke Jans. Als hij in 1794 trouwt met Baukje Hendriks Bersma vermeldt het trouwregister van de kerk niet alleen háár achternaam, maar ook die van hem, Jan Hendriks de Bruin, een eerste ‘onze’ De Bruin.

Voor zover ik weet stamt deze Jan Hendriks uit een geslacht van boerenknechten en dagloners, waarvan de eerste zonen generaties lang Hendrik Folkerts of Folkert Hendriks heten.
Hij trouwt waarschijnlijk boven (of buiten) zijn stand en ik verzin graag dat er – zeker bij haar- liefde in het spel was. Waarom ook niet?
Dit is in ieder geval bekend: zijn schoonvader had geld en aanzien, misschien door zijn huwelijk met Janke Stelwagen; een vrouw uit een gegoede familie uit Emden. Hendrik Bersma was lommerdhouder en speelde bank in Holwerd. Hij wás iemand en zijn zoon, dus de zwager van Jan, had er een kroeg.

Je weet dus niet veel van zo’n verleden. Er zijn wat namen, wat akten, wat volkstelling-achtige lijsten.
Er zijn daar tussendoor heel wat mogelijkheden geweest om in de vernieling te raken. Ook toen.
Het waren grimmige tijden met oorlog, jaar-zonder-zomer, misoogst, hongersnood, ziekte en Baukje sterft.
Het gaat overduidelijk mis met Jan Hendriks. Hij raakt alles kwijt, mogelijk ook het contact met zijn kinderen.
Het lijkt  erop dat zijn schoonfamilie hem heeft laten stikken.
Hij gaat zwerven, maar komt niet ver, een kleine 20 km vanuit zijn Holwerd, Vrouwenparochie in het Bildt, en daar sterft hij tussen vreemden.

Hieronder de scan van zijn overlijdensakte.


In het jaar een duizend acht honderd en dertien, den Elfden dag de maand Februarij zijn voor ons Maire Officier van den Burgerlijken Staat der Gemeente van Vrouwen Parochie Departement Vriesland, Canton Hallum – gecompareerd Tjerk Cornelis van der Saag, oud drie en veertig jaren van Beroep Boere arbeider woonachtig onder Vrouwen Parochie, en Jacob Alberts Molenaar oud zes en dertig jaren, van Beroep Boere arbeider
welke ons verklaard hebben dat Jan Hendriks de Bruin, geboortig na beste weten van de comparanten , te Holwert, zijnde aan hun de Naam Zijns ouders onbekend oud gissing Twee en Vijftig Jaren houdende een zwervend leven
op den Tienden dag der maand Ferbruarij des nademiddags ten Twee uren,in de Huisinge № 31 te Vrouwen Parochie, ten huise van Gerryt Doekes Siderius alwaar dezelve ter bede geinkwartierd was is overleden; en hebben de Declaranten deze Acte, na dat hun dezelve was voorgelezen, nevens ons onderteekend. verklarende de tweede comparant niet te kunnen Schrijven en niet bevriend aan de overledene

Tjerk Cornelis van der Saag
R.F. de Jong

Als je weet wat je zoekt kan je deze scan vinden via AlleFriezen.
Ik wist wat ik zocht.
Pake had het allemaal al uitgezocht, ik denk op de motorfiets naar Holwerd en door papier worstelen. Hij kwam rond 1950 even ver in de familiegeschiedenis als ik nu via het internet.
Zijn zoon heette ook Jan.
Pake hechtte eraan dat deze niet via via naar deze Jan Hendriks is vernoemd.
Het was een hele andere Jan. Een latere Jan.
Ik ben bang dat hij gelijk heeft.

Ugchelen, 01-02-2019

Misschien wilt u een verklaring.
Er staan duidelijke borden in het bos en er is een bruggetje, alsof twee gelijksoortige paden identieke verhalen zijn, die verbonden moeten worden.
De beste verklaring van het pad is het pad zelf, verzin ik net. Dat bruggetje snap ik niet.

Tegenover de brede dwarsstraat op de winkelstraat staat al jaren het woord HOME op de vensterbank van één van de flatjes. Witte letters in spiegelbeeld.

Woorden als HOME en LOVE in de uitstalling van het raam maken me beetje onrustig, want ik wil iedereen begrijpen. Andere mensen schrijven hier soms THUIS of LIEFS. Ook dat gebeurt.
Ik ben ervan overtuigd, dat er een mensenwereld bestaat, waarin het prettig is de wereld buiten te vertellen dat het binnen warm is en knus. Lees maar, buitenstaander, hierbinnen woont HOME! Pas maar op, LOVE, ik hou van jou. Elk venster is een etalage.

Moeilijker? In de vensterbank het woord HOME, maar dan alleen leesbaar voor de HOME-bewoner. Hierbinnen wil men niet vergeten, dat het daar thuis is.

En er ook zijn ramen vol spaties. Dit betekent niets. Klaar.

Echt onrustbarend is voor mij het woord HOME achter die ruit van dat ene flatje in het winkelgebied.. Het is ooit van binnenuit leesbaar voor het raam geplaatst, waarna de letter E is omgevallen en deze ligt er nu al maanden als underscore naast de letters MOH.
Wat gebeurt daar toch in dat huis, wat denkt het hoofd dat daar woont? Leeft daar een onverschillig, somber iemand, is deze misschien overhaast op wereldreis gegaan.

_MOH.
Er ligt daar een lijk.
Ik denk, dat ik vliegen zie.

Nu als roodborstje kwam de oude man maar weer eens op bezoek bij X en Y, zijn twee onbekenden.
Hij was al meer dan een jaar dood en erg nieuwsgierig: hoe gaat het met de akelei, de kamperfoelie, met de vijver?
Er was vast wel iets gebeurd, wat dacht je dan?

Bijvoorbeeld X, die omzichtig en vol bewondering de pen en gat verbindingen van het schuurtje sloopt met schroevendraaier, zaag en moker.
Die van deuren scharnieren en grendels verwijdert en deze niet meer kan openen of sluiten. Dit ook niet wil.
Mogelijk was er nooit een schuur, geen dak, geen deur en blijkt X een twijfelgeval.

Maar dan Y, die van elke muur een raam maakt met het gemak van een sloopkogel.
Er is ineens veel woestenij om iets te doen gebeuren.
Het roodborstje vond er nog niet veel aan. Het was wel gezellig bij die twee, dat wel.

Ondertussen spit X de tuin om en hoopt dat de oude man er nooit een hond begroef.

.