archiveren

blog

Vanochtend maar weer eens iets op een rijtje gezet.
Het thuiswerk nog op zwart, waarboven:
– het consult;
– een alfabet valt, een alfabet vlucht;
– de toespraak.
En dan moet je maar geloven dat ik er iets bij heb gedacht.
Geloof je dat?
Mooi zo.

Natuurlijk heb je gelijk: ik ben een ijdeltuit.
En nu aan het werk.

*

Zelfde plek, ’s middags.
Schilderij proberen te redden dat erg lelijk was. Niet vertederend lelijk, maar lelijk lelijk.

Natuurlijk heb je gelijk.
ik ben rommelkont en dilettant, naast veel anders.

Op het scherm YouTube met FU-CHING-GIDO 放浪 Hourou.
Dat ik daar iets bij heb gedacht?
Geloof je dat?
Mooi zo.

Ik heb mijn naam te groot op het schilderij gezet.

Dat ik dat daar tevreden mee ben?
Geloof je dat?

*

De eerste recensie gehad.
Lelijk.
Mooi zo.

Advertenties

A.L. Snijders met microfoon

Over tien jaar zou ik me de dag van gister (28-10-2018) kunnen herinneren. Het voornemen deze dag niet te vergeten zal ik tegen die tijd waarschijnlijk vergeten zijn.

Mijn herinnering zou kunnen beginnen met Facebook een dag eerder. Het toont mij als eendags 65-jarige reclame voor mannen met ongewenst urineverlies. De tekst over incontinentiehulpmiddelen voor mannen toont een frisse, sportieve, A.Vogelgezonde 70-plusser met sikje, die geen drupje ongewenst zal lekken.
Deze herinnering is overigens een afleidingsmanoeuvre.

De herinnering vervolgt met het lezen van het zeer korte verhaal Roem van A.L Snijders, dat hij die dag heeft voorgelezen op de radio bij De ochtend van 4.
Ik schrok, omdat hij schrijft, wat een struisvogel niet durft denken. Hier praat ik niet over: “Die fascinatie voor roem is merkwaardig, omdat ik eigenlijk alleen geïnteresseerd ben in de anonieme mens, met z’n verdriet, tegenslag en eenzaamheid. En helemaal de laatste jaren, nu duidelijk is dat het overweldigende succes van de mens tot zijn ondergang op aarde zal leiden. Nog twee generaties, schat ik, dan is het gebeurd.” Dit is het slot van zijn verhaal en die allerlaatste zin snijdt als angst voor een mogelijke waarheid.

Door het woord roem herinner ik de kamer, waarin ooit mijn grootmoeder en haar twee dochters moeten hebben gezeten. Een overlevering. Het is stil, behalve een klok die tikt. In haar hoekje wijst de jongste haar pop terecht. Want die was stout. “Domme! Trui! Domme-domme!” Trui krijgt voor de billen. De poppenmoeder is mijn moeder in de rol van háár moeder, mijn grootmoeder dus en dit vertelt iets over het temperament van mijn grootmoeder en ik herinner me haar opvliegende aard, haar onverzoenlijkheid en haar bedrevenheid in volgens onze oren zeer beleefde bastaardvloeken.
De pop Trui van mijn moeder was (neem ik aan) vernoemd naar mijn grootvaders tante Trui, die evenals haar man, zijn oom Oebele, een straatnaam in Heerenveen is geworden en ze heeft een echte wiki-pagina. Ze waren beroemd
De roem van Trui, ook als pop van mijn moeder.

En er was nog iets gister, maar dat ben ik vergeten. Nu al.

Let wel: hier staat nog niet de helft, wat er zou kunnen staan. Er is zoveel, dat… er zijn zoveel die… et cetera.

Als ik me dit over tien jaar herinner, dan leef ik nog, blijkbaar,
Naar ik hoop met ieder van wie ik hou, maar over wie ik niet schrijven mag, omdat ze buiten tekst echt bestaan.
Maar ook grootmoeder leeft nog steeds (met haar goegelemina!), nu als tekst. En Trui en Oebele. De pop van mijn moeder bestaat.
Het verval van mijn geestelijke vermogens valt blijkbaar mee, al is dat een bedroevend egocentrische gedachte.

De komende tien jaar zal meer duidelijk worden over het hoe en wanneer van de ondergang van alles wat onze miniverhaaltjes mogelijk maakt. Verhaaltjes zonder roem en glorie, vol verdriet, tegenslag en eenzaamheid. Knusse kachelverhaaltjes, al vallen die vast ook wel onder eenzaam verdriet.
Wat niets wegneemt van de angst die groter is dan die voor dood of dementie.

Ik doe net of er de komende tien jaar niets belangwekkends gebeurt en ik mijn eigen verhaaltje leef.
Daarin schrijf ik de vrees dat over tien jaar incontinentiemateriaal voor mij aan te bevelen zal zijn, maar dat het mij geen barst meer zal kunnen schelen,

Als je spreekt over twee generaties terug, dan heb je het over mijn grootouders en een generatie eerder over vergeten beroemde idealisten als Trui en Oebele, met de verheffing van het volk en iets met vrouwen, de Friese beweging en drankbestrijding. Conflicten met Domela Nieuwenhuis en Troelstra, soit, praten we niet meer over.
Maar twee generaties vooruit, dan heb je het over onze kleinkinderen.
Wat is bang toch een klein woordje.

Trui Jentink (1852-1918) en Oebele Stelllingwerf (1847-1897)

Vandaag voel ik me rot.
Een of ander gedoe met lichaam gedeeld door geest, dat wel weer voorbij gaat en het hoe-waarom-waardoor is iets waar ik niemand mee wil vervelen.
Tot zover de schets van hoe de vlag erbij zeurt.

Ik wil niet telkens weer mijn moeder de internetbekentenissen binnensmokkelen, maar er bestaat een oude foto, waarop zij voorkomt en waarmee ik blij ben.
Ik heb zojuist besloten, dat het mag vandaag.

Het is een foto die waarschijnlijk is genomen toen Elske een jaar of vijf was.
Het was vlak na de oorlog, die toen nog geen eerste wereldoorlog heette en die behalve wat ongemak en schaarste aan veel van de Leeuwarders op deze foto ver weg zal zijn geweest.

Het heeft die ochtend wat geregend en nu is het droog, maar bewolkt en het is feest. Alle meisjes uit de buurt zijn mooi aangekleed, dresscode indien-mogelijk-wit. Hun moeders zijn handig geweest met naald en schaar. Ik noem dit maar even, want ze staan zelf niet op de foto.

Er is een feestelijke poort in elkaar geknutseld. Latjes afvalhout, guirlandes van misschien dat altijd zo lastige crêpe papier. Er staat een mand met bloemen. Achterin zie je een bord met de tekst ‘buurtvereeniging voor onze jeugd’.
Elske woonde in de Anjelierstraat in de buurt die tegenwoordig Oldegalieën/Bloemenbuurt wordt genoemd en de foto kan in de Willem Sprengerstraat zijn genomen. Ik herken de plek niet.

Daar staan ze dan. Stil, met de suggestie van een defilé. Langs de kant wat publiek. Jochies met petten, mannen met hoeden.
Het meisje helemaal rechts zal later mijn moeder worden en als ik haar zo zie wordt ik blij en trots zoals je blij en trots door een dochter bent.
Waar iedereen de witte kleertjes smetteloos heeft bewaard , zie ik bij haar rechts bij haar knie een mooie vlek.
Volgens haar zus was Elske een kind dat alles durfde. Spring, klim, gooi, bal, huppel: alles. ‘Een halve jongen.’ Tussen thuis en foto is zij, anders dan de andere meisjes, kind geweest en daar word ik vrolijk van.

Dit is maar het halve verhaal. Ik ken mijn moeder niet als iemand die alles durft van hupsakee en tralala en ik weet niet wat er is gebeurd.
Er is iets gebeurd.


Tussen oud werk hervond ik ‘In gesprek’ dat ik januari  2014 moet hebben geschilderd. Dit kan ik zo precies dateren, doordat het er op staat, maar ook omdat ik weet waar het is geschilderd en met een vaag idee waartoe.
Het was op een plek waar eenieder diende te werken aan zijn hoogstpersoonlijk herstel van wat dan ook, bijvoorbeeld zweetvoeten, maar dan hinderlijker voor jezelf en jouw omgeving.
Uit baldadigheid probeerde ik niet-therapeutisch te schilderen, maar gewoon iets gewoons op een manier die voor mij ongewoon was.
Ik heb het steeds weer willen wegschilderen. Wit, wit, wit. Weggooien zelfs. Het komt er nog steeds niet van. Met bijna vijf jaar oudere ogen ziet het er klunzig uit. Iets van een veertienjarige die goed zijn best heeft gedaan. De zelfkwelling van ‘Prutswerkje, lekker puh! net goed!’ past me wel.

Laat ik nou net vanmorgen via Facebook een column lezen van Erik Jan Harmens uit Trouw ‘Ik ben verslaafd aan roken, alcohol, en, als ik eerlijk ben, Facebook, Instagram en Twitter’ en laat ik nou net geen Instagram en Twitter doen, maar wel zoals hij onbehoorlijk hoog scoren op verslavingsgevoeligheid.
Alcohol staat ergens weggeparkeerd.
Facebook is niet misselijk prominent aanwezig, tot ergernis van iemand die ‘Zeg ik praat tegen jou!‘ zegt als die tegen me praat.  ‘Ja, ik luister wel.’
De sigaret? Ik durf niet stoppen, maar daarover zeuren is ook zoiets. (Weet je nog ooit in Hongarije: waar koop je hier nou in hemelsnaam sigaretten? Wat moet ik met mijn handen als ik niets doe? Hoe kan ik me zonder in mezelf terugtrekken?)
Het erkennen van een verslaving is altijd stap 1 en ik ben al bijna op de helft.

Maandagochtend

Omdat ook nu het maandagochtend is herinner ik me een niet eerder opgeschreven herinnering aan een bepaalde koude droge maandagochtend.
Het was nog in de tijd dat de buurtsuper niet op zondag open was en ’s ochtends ook niet al te vroeg.
Ik had net mijn fiets gepakt om naar het werk te gaan. Ik deed het hek van het slot en hoorde dat achter de schutting mijn buurman aan kwam lopen.
‘J., heb je misschien een sigaret van mij? Ik zit zonder. Gister laat geworden. Gezellig enzo, maar nu zit ik zonder. Ik ga zo naar de winkel, maar eh….’
‘Natuurlijk, M. Hier heb je er twee, drie? Voor straks nog één.’
‘Nee, één is genoeg hoor, dank je. ‘ 
‘Wil je een vuurtje?’
‘Nee, dank je. Ik wacht nog even hoor. Bedankt, werk ze, hè.’
‘Van hetzelfde, fijne dag.’
Terwijl ik met mijn fiets de weg op draai hoor ik achter mij de aansteker van M., terwijl hij de deur in de schutting sluit.

 

Grazie a Google Translate

Het gedicht van K. Schippers ‘ONLY PAPER IS ENGLISH’ kopieerde ik eens voor een Duitse vriendin, met wie ik altijd Engels sprak en die ik ooit in Frankrijk tegen kwam.
Zij hield niet van poëzie, maar toch.

Haar compliment was ooit dat haar Nederlands belabberder was dan mijn Engels.
Of was het nou dat mijn Engels beter was dan haar Nederlands.

Ik houd van taal en nog meer van onvertaalbaarheid.
Onvertaalbaarheid past in mijn straatje: Via Incomprensione.

Het is een al heel lang rondzeurend en niet erg origineel idee dit onvertaalbaar gedicht te vertalen via Google Translate. Ik moet bekennen dat, hoewel het weinig te maken heeft met het oorspronkelijke gedicht, dat ik het best wel mooi vind.

Ik moet ineens denken aan de oude dementerende moeder P. in Wenen, toen ze even meisjeszacht, vanachter de krijsende heks die ik zag, mij toevertrouwde dat ze verliefd was op Verdi. ‘AAah, diese Italiener,… die italienische Sprache ist so schön! Das íst ja Musik.’

SOLO LA CARTA È INGLESE

carta
(è tedesco)

carta
(è olandese)

carta
(è francese)


Poesia originale di K. Schippers,
(pseudonimo Gerard Stigter),
circa 1975


ONLY PAPER IS ENGLISH

Papier
(is Duits)

Papier
(c’est hollandais)

Papier
(ist französisch)


[ © K. Schippers ]

We hadden vroeger thuis een bandrecorder.
Het was blijkbaar onze tweede, want er bestond ooit een bandje met daarop de stem van een door techniek overrompelde Beppe, maar ook die van mijzelf als 5-jarige.
‘Wat is dit, Jacob?’
‘Een taperecorder’, zeg ik met een stemmetje dat ik me niet herinner.
Waarschijnlijk was die eerste geleend van de school van vader.

In mijn middelbare schooltijd kocht ik bij V&D van die kleine bandjes voor een kwartiertje zelf opgenomen Top 40.
Vooraf even op de fiets de lijst ophalen, naar de platenzaak Bij De Put (het papieren exemplaar ligt voor jou klaar bij de platenhandelaar), aanstrepen wat ik wilde opnemen en precies op het juiste moment Record in- en Pauze uitknoppen.
Outsiders, Q65, Small Faces, Pretty Things, dat soort spul.
Later nam ik muziek op van Superclean Dreammachine, een programma van Ad Visser vol bij voorkeur psychedelisch niet-TopPop geluid. De bijna-oude mensen kennen het programma nog wel of zouden het moeten kennen.

Op de achtergrond hoor je de Friese klok tikken en halve uren slaan als ik weer eens vergeten ben deze stil te zetten.
Hè? Ik was dus alleen thuis.
Waar was iedereen op zo’n zaterdagmiddag?

Ik was ook toen al krenterig en van behoedzaam gespaard zakgeld kocht ik een verzamelelpee; veel voor weinig. Hits en non-hits: een doorsnee van Mijn Muziek van pakweg rond 1968.
The Rockmachine Turns You On met o.a. Moby Grape, The United States Of America, Taj Mahal, The Peanut Butter Conspiracy, maar ook Spirit, een ook door mij bijna vergeten band rond Randy California, die ooit daarvoor in Jimmy James and the Blue Flames speelde.
Leuk voor zijn CV, want deze Jimmy James werd later bekend als Jimi Hendrix.

Het was de tijd dat in een nummer van 3 minuten 11 seconden veel moest gebeuren.
Bij dansen (lastig!) was het een voordeel dat je het nummer kende. Tempowisseling enzo.
In Fresh Garbage van Spirit is dat dan ook zo.

Ik luisterde nooit naar Pink. (Sorry P!ink)
Ik denk bij Pink aan kleur, kijk naar mijn hand en herinner me een jong rund.
Luister nou na Fresh Garbage ook eens naar Feel Good Time van Pink, zij luisterde blijkbaar ook wel eens naar Kurt Cobain.
Leuk: collages. Alles nieuw en origineel is nergens voor nodig.

Terwijl ze uit de lindeboom vallen denk ik aan drones.
Ik had vroeger vast aan helicoptertjes gedacht.
In de tijd dat er nog geen helicoptertjes waren, was ik nog niet verwekt. Omdat ik heb leren rekenen, weet ik dat dit ongeveer tijdens de watersnoodramp van ’53 was en ook daar waren al helicopters.
Misschien had ik in een vorig leven gedacht aan het dalen van die gevleugelde elzedingesjes, maar dan eleganter, lichter.