archiveren

blog

Dit schrijf ik, omdat ik nu gezien heb hoe het gebeurt.
Hét.
Waar gebeurd. Hier.
Het is hier waar gebeurd. Gister.

In de lift stond een man, die voor mij de deur openhield. Ongeveer even groot als ik, bijna mijn leeftijd, slordig baardje, bril, wat haar op zijn hoofd, al dat soort dingen. Kleding. Niet echt een opvallend type. Een beetje of hij er niet was.
Terwijl de liftdeur zich sloot, waagde nog iemand zijn voet tussen de deur, die zich weer opende en twee mannen stapten bij ons de lift in.
Allebei iets groter en jonger dan wij twee
De één kaal, t-shirt met stoer-olijk opschrift.
De ander nette haardos, tweedelig pak. Vermoedelijk een lichtblauw overhemd.

De man met glimschedel keek verbaasd van de man met baard naar mij en weer terug.

‘Zijn jullie misschien broers of zo?’, vroeg hij. Ineens joviaal. Hoezo joviaal? Het klonk toch echt joviaal, maar ik kende hem niet.
De niet-mijn-broer was blijkbaar zijn stem kwijt en fluisterde iets als ‘nee’. Ik zou namens ons het woord moeten voeren.
‘Niet dat ik weet,’ antwoordde ik en ‘hoe dat zo?’

‘Jullie lijken zo op elkaar, jullie zouden broers kunnen zijn. Dubbelgangers!’

Nu was het de beurt aan de eerste man en mij om naar elkaar te kijken en voor de zekerheid ook maar even in de spiegelachterwand van de lift.
Ik vergeleek hem met mij bekende broers en met mijn eigen zelfbeeld.
Vreemd.
Het leek nergens naar, behalve dat we allebei nergens op leken.
Ik, verbaasd: ‘Ik zie het echt niet.’
Ja, die baard misschien, maar die had ik lang geleden afgeschoren. Zijn baard leek op mijn afgeschoren baard.
Ik zag het niet en herhaalde, maar weer eens mijn verhaal van mijn vele dubbelgangers op campings in Zuid-Frankrijk en in ziekenhuizen. Zelfs van de nieuwe buurman, die zei: ‘Ik ken je, ben jij niet…’ waarop de buurvrouw hem aanstootte met: ‘Nee joh, dat kan niet, die is immers dood!’
Blijkbaar kan je elkaar best veel vertellen gedurende zes verdiepingen.

Zo ziet dus de gemiddelde dubbelganger er uit: hij lijkt niet op zijn evenbeeld.

Vreemd was wel dat de kale man op hetzelfde moment bij ons thuis als huisschilder op de ladder stond.
Dat vond ik verbazingwekkend.

zelfontkenningsportret

Advertenties

driemaal het gevreesde zevenblad

Alles begint zo klein en schattig als jonge sla in september.

Als we het dan toch over getallen hebben: het gedicht Jonge sla van Rutger Kopland is op 15-9-’02 in de lijst van gedichten.nl opgenomen als gedicht nr. 442.
[ URL: https://www.gedichten.nl/nedermap/gedichten/gedicht/32562.html ]
Het komt uit de bundel Alles op de fiets (1970).
Als ik dit op mijn laptop typ is de inzending 47992 keer bekeken.
Op het gedicht is 144 keer gestemd met een gemiddelde van 3 van de 5 sterren.
Het gros van de lezers heeft dus inderdaad een oordeel.
Het is vandaag 1-8-’18 en het is nu tijd.

Hier staan exact 100 woorden.

LIEF DAGBOEK

gister is weer bijna alles goed gedaan.

één maal geld gepind.
negen keer ingelogd op het werk.
twee keer thuis. drie keer?
iets te vaak aangemeld bij mijn samsung-smart.
vijf keer mijn digid naam en wachtwoord mogen intoetsen, waarvan slechts één maal fout.

ik weet dat niemand dit wil weten, maar ik ben zelf zeer verbaasd.
het is… eh… warm, zal ik maar zeggen.

*

het grote-mensen-decorum is balast.
het is na een jaar nog steeds Het Nieuwe Huis, zonder nette zonwering.
het kind dat je bent mag fijn huttenbouwen.

*

ditzelfde kind schrok vorige week zaterdagavond, toen iets verderop in een tuin een kinderfeestje speelde en plotsklaps een tijdmachine startte.
er werd zakdoekje leggen gespeeld.
spelen kinderen dit nog steeds?
wie heeft er tegenwoordig nog een échte zakdoek?
weet een kind wat een zakdoek is?
er zijn kinderen die nog nooit een lucifer hebben gezien.
dat soort dingen.
zakdoekje leggen
niemand zeggen
kukeleku zo kraait de haan
twee paar schoenen heb ik aangedaan
een van stof en een van leer
hier leg ik mijn zakdoekje neer
en dan gejoel en rennende voeten.
mijn grote schrik was dat ik de clou van het spel vergat.
er is blijkbaar iets voorbij.
weg.
helemaal.

wikipedia dan maar?
ik verdom het om het op te zoeken.

 

Adolf Loos [1870-1933]

‘Wenn wir im Walde einen Hügel finden, sechs Schuh lang und drei Schuh breit, mit der Schaufel pyramidenförmig aufgerichtet, dann werden wir ernst, und es sagt etwas in uns: Hier liegt jemand begraben. Das ist  Architektur.’

Adolf Loos, 1910

Ooit las ik de tekst van die toch echt best wel bekende lezing ‘Ornament und Verbrechen’ uit 1913 of iets eerder. Van Loos, dus. Een stukje:

‘[…] Das Kind ist amoralisch. Der Papua ist es für uns auch. Der Papua schlachtet seine Feinde ab und verzehrt sie. Er ist kein Verbrecher. Wenn aber der moderne Mensch jemanden abschlachtet und verzehrt, so ist er ein Verbrecher oder ein degenerierter. Der Papua tätowiert seine Haut, sein Boot, sein Ruder, kurz alles, was ihm erreichbar ist. Er ist kein Verbrecher. Der moderne Mensch, der sich tätowiert, ist ein Verbrecher oder ein Degenerierter. Es gibt Gefängnisse, in denen achtzig Prozent der Häftlinge Tätowierungen aufweisen. Die Tätowierten, die nicht in Haft sind, sind latente Verbrecher oder degenerierte Aristokraten. Wenn ein Tätowierter in Freiheit stirbt, so ist er eben einige Jahre, bevor er einen Mord verübt hat, gestorben. […]’

Het is prettig te bedenken dat deze tekst werd uitgesproken toen mijn vader in Ternaard nog maar net uit de luiers was en mijn moeder zojuist in Leeuwarden was verwekt. Het kan maar beter lang geleden zijn. Met hoeveel lachebekjes moet je een dergelijke tekst opleuken, wil je deze zonder schaamte kunnen bloggen? Speld zou er wel iets mee kunnen.

Loos kan er natuurlijk niets aan doen. Het heeft er alle schijn van dat hij zichzelf zeer serieus genomen heeft. Hij had een missie. De Secession, de Oostenrijkse Art Nouveau,  moest immers onder de grond worden geschoffeld. Altmodisch. Ik ben bang dat hij tijdens zijn lezing niet heeft geglimlacht, maar ik hoop dat ik dat mis heb. Ik hou namelijk van de architect Loos.
Ik heb het mis, hè, toe nou, ja,  ik heb het mis. Loos had gevoel voor humor en ik heb weer eens iets te serieus opgevat? Alsjeblieft.
Het is een tekst van voor de beide wereldoorlogen, van voor wat ons daarna heeft overspoeld en van voor alles wat op het punt staat ons te overkomen.
Waar maak ik me eigenlijk druk om? O ja, ik weet het weer: ik wil alles en iedereen snappen.

Regelmatig moet ik aan deze tekst denken, niet alleen als ik Tattoo’d Lady van Rory Gallagher hoor (is ook zo iets).
Ik heb het er tegenwoordig maar druk mee.

Plakat zum Vortrag “Ornament und Verbrechen” von Adolf Loos am 21. Februar 1913 im Österreichischen Ingenieur-und Architektenverein. Farblithographie, 84 : 63. 1913. Druck: Albert Berger

Zulke windveren vertellen een weerkundige dat er weer weer aankomt. Of dat het weer weer blijft. Ik kan dat niet onthouden, net als dat van dat avondrood en/of morgenrood.
Als gewone, krenterige weerconsument shop ik mijn weer bij de gratis app.
Deze vertelt mij dat ook dit weer weer mogelijk gemaakt wordt door het grootkapitaal, of ten minste door buurtsuper, datingapp of zorgverzekeraar.

Dan ben ik ineens 64 en fiets ik voor het eerst voorbij een wilde ijsvogel. In de flits weet ik: ijsvogel, want ijsvogelvorm, ijsvogelblauw-met-oranje.
Ik denk aan de foto.

Ik stop en maak geen foto, want er is geen ijsvogel meer te zien.
Dan maar niet.

Op de niet-foto zie je de walkant van de Grift, iets voorbij Wenum.

Op hetzelfde fietspad drie maal man met hond gegroet.
De derde wedergroet klinkt anders. Binnensmonds, de man had een grashalm tussen zijn tanden.

Je moet altijd goed opletten.

O.

Dat een droom vaak zo onsamenhangend is, is dat je klacht?
Je moet niet zeuren: was je wel eens levend en wakker?
Was je ooit een geschreven verhaal?
Nou dan.

Er waren op die dag verwikkelingen. Klanken met vage betekenissen, letters zwart op wit, protocollen voor gesprekken, gedrag en constructies, vertaalslagen.
Het is te lang geleden om te weten waar het die dag om draaide. Zomaar vergeten. Ik vergeet zoveel.
Dat moet dan maar.

Ah, daar is die weer: déjà vu, déjà écrit, déjà lu, déjà déjà.

De verwikkelingen waren ’s ochtends, vermoedelijk iets met werk. Hét werk, want zo heet dat van mij.
Dezelfde middag is het tegenwoordige tijd en is er motregen. Ik pak de fiets en verpoos. Liefst op een plek, waar je knus in tweedehands boeken kan bladeren. Zo gedacht, zo gedaan.

Doordat ik iets kan onthouden, herinner ik mij met name één boek. Hard kaft, plusminus A4 en chocoladeletterdik. Titel op voorkant en rug: ‘Jerzy Kosinski’. Engelstalig. Een omslag met zowel voorop als achterop een grafisch en artistiek verantwoorde zwart-witfoto van het hoofd van een man (Jerzy Kosinski), beeldvullend.

Op de eerste tien pagina’s tel ik zes zwart-witfoto’s van dezelfde Jerzy Kosinski, stuk voor stuk even grafisch en artistiek verantwoord en allemaal uit dezelfde periode. Misschien is Jerzy Kosinski hier minstens 40, maar nog geen 50 jaar.
De begeleidende tekst gaat over Jerzy Kosinski. Het zijn loftuitingen. Schreefloos. Jerzy Kosinski doet van alles, maakt het één en ander mee en ontmoet diverse mensen, die ik niet ken. En toen en toen en toen en die en die en die en die.
Na deze bladzijden stop ik met bladeren en vraag me af, wat ik ooit van Jerzy Kosinski las.
‘Cockpit’ stond ik mijn boekenkast en heb ik voor mijn laatste verhuizing naar de kringloop gebracht met de herinnering aan een boek, waar ik niets mee kon. ‘Aanwezig’ las ik waarschijnlijk uit de bieb of ik heb alleen de film gezien? Heb ik ooit ‘De geverfde vogel’ gelezen? Waarschijnlijk ben ik er wel eens aan begonnen.
Nou, dat was het.

Op de terugweg naar huis is het droog.
Verderop komt me een vuilniswagen tegemoet met achterop twee mannen met werkhandschoenen.
Ze stappen af rijden kliko’s naar de wagen die deze oppakt, leegkantelt en neerploft, waarna de twee de bakken terugrijden.
Tussendoor grijpen ze de stang zij/achteraan de wagen en springen elegant achterop (ja: elegant), waarbij één been boven de straat blijft zweven. Even verder hupsen ze net zo elegant weer op de straat. Hup en dan weer paddah. Etc.
Als ik vlak daarna langs de wagen fiets voel ik de warmte. Warmte met het geluid van de zware motor in mijn borstkas.

Ik vergeet hier iets op te schrijven: bouwplaats, metalen hekwerk, steigers, bouwradio, een witte cementsilo, het beeld van een halve zandloper.

Verderop staat een jong stel.
Zij is verliefd en probeert vandaag iets verleidelijks in krappe hotpants.
Het is zo’n droevig gezicht. Nee, het voelt alleen maar droevig, je kan dat niet echt zien. ‘Weet je dan niet wat falen is?’ Misschien vraagt ze dat, ik leg het haar in de mond. Ik hoop dat ik alleen maar verzin dat ze ooit werd gepest of dat ze is misbruikt.
Hij weet zich winnaar en gaat gedachteloos gekleed.
Zij kust hem.
Hij kijkt niet en roept langs haar hoofd iets rauws naar vrienden verderop achter haar.
Zij wil hem nog eens kussen, smachtend. Ik verzin zelfs het woord ‘wanhopig’ en noem het hopeloos.
Nog angstaanjagender: misschien merkt ze niets, voelt ze niets, weet ze niets. Wat gebeurt daar toch?
Daar is zijn mobiel alweer. Nog meer vrienden, nog verder weg. Hij zal ze allemaal vrienden noemen.

Dit was geen droom, ondanks het gebrek aan samenhang en doel, pointe, clou. Er is enig bewijs. Een vervolg.
Maanden later ligt dezelfde Jerzy Kosinski tweedehands op dezelfde plek.
Nog weer maanden later is het boek weg.

De bouw is bijna klaar, geen steigers, geen cementsilo. Het metalen hekwerk staat er nog, het trottoir is kapot. Her en der wat bouwopslag, over een maand worden de eerste bewoners verwacht.

Van het stel heb ik geen van beide ooit weer gezien. Ik ben bang dat ik ze niet meer zal herkennen en dat is niets in vergelijking met De Angst.

Uit.

Jerzy Kosinski - Cockpit

Jerzy Kosinski – Cockpit