archiveren

architectuur

Adolf Loos [1870-1933]

‘Wenn wir im Walde einen Hügel finden, sechs Schuh lang und drei Schuh breit, mit der Schaufel pyramidenförmig aufgerichtet, dann werden wir ernst, und es sagt etwas in uns: Hier liegt jemand begraben. Das ist  Architektur.’

Adolf Loos, 1910

Ooit las ik de tekst van die toch echt best wel bekende lezing ‘Ornament und Verbrechen’ uit 1913 of iets eerder. Van Loos, dus. Een stukje:

‘[…] Das Kind ist amoralisch. Der Papua ist es für uns auch. Der Papua schlachtet seine Feinde ab und verzehrt sie. Er ist kein Verbrecher. Wenn aber der moderne Mensch jemanden abschlachtet und verzehrt, so ist er ein Verbrecher oder ein degenerierter. Der Papua tätowiert seine Haut, sein Boot, sein Ruder, kurz alles, was ihm erreichbar ist. Er ist kein Verbrecher. Der moderne Mensch, der sich tätowiert, ist ein Verbrecher oder ein Degenerierter. Es gibt Gefängnisse, in denen achtzig Prozent der Häftlinge Tätowierungen aufweisen. Die Tätowierten, die nicht in Haft sind, sind latente Verbrecher oder degenerierte Aristokraten. Wenn ein Tätowierter in Freiheit stirbt, so ist er eben einige Jahre, bevor er einen Mord verübt hat, gestorben. […]’

Het is prettig te bedenken dat deze tekst werd uitgesproken toen mijn vader in Ternaard nog maar net uit de luiers was en mijn moeder zojuist in Leeuwarden was verwekt. Het kan maar beter lang geleden zijn. Met hoeveel lachebekjes moet je een dergelijke tekst opleuken, wil je deze zonder schaamte kunnen bloggen? Speld zou er wel iets mee kunnen.

Loos kan er natuurlijk niets aan doen. Het heeft er alle schijn van dat hij zichzelf zeer serieus genomen heeft. Hij had een missie. De Secession, de Oostenrijkse Art Nouveau,  moest immers onder de grond worden geschoffeld. Altmodisch. Ik ben bang dat hij tijdens zijn lezing niet heeft geglimlacht, maar ik hoop dat ik dat mis heb. Ik hou namelijk van de architect Loos.
Ik heb het mis, hè, toe nou, ja,  ik heb het mis. Loos had gevoel voor humor en ik heb weer eens iets te serieus opgevat? Alsjeblieft.
Het is een tekst van voor de beide wereldoorlogen, van voor wat ons daarna heeft overspoeld en van voor alles wat op het punt staat ons te overkomen.
Waar maak ik me eigenlijk druk om? O ja, ik weet het weer: ik wil alles en iedereen snappen.

Regelmatig moet ik aan deze tekst denken, niet alleen als ik Tattoo’d Lady van Rory Gallagher hoor (is ook zo iets).
Ik heb het er tegenwoordig maar druk mee.

Plakat zum Vortrag “Ornament und Verbrechen” von Adolf Loos am 21. Februar 1913 im Österreichischen Ingenieur-und Architektenverein. Farblithographie, 84 : 63. 1913. Druck: Albert Berger

Advertenties

Dingen.

Een koffiemok, die je jezelf cadeau gaf met sinterklaas en die je jarenlang bijstaat op je werkplek en die dan kapot valt. Helaas door een collega. Had ik liever zelf kapot laten vallen.

Onthechten is niet slecht.

Maar.

Kleuterschool ‘De Houtduif’ aan de Euterpestraat.
De Brugschool aan de Schoolstraat.
De Rijks HBS aan het Zaailand. ‘De Doodkist’ was mijn vaders bijnaam voor het gebouw. Het was een doodkist.
Deze drie zijn allang gesloopt.
De lagere school Telemannschool I (school 31) nu samen met onze erfvijand Telemannschool II omgedoopt tot ‘De Wester’. Het gebouw staat er nog.

Vandaag het Gebouw van Bouwkunde.
Voorheen van de TH Delft, nu TU Delft.
Tot vandaag stond het er.
Dinsdag 13 mei 2008.
Een koffieautomaat begeeft het op de zevende.
Men sluit water af, maar niet de stroom.
Beter ware andersom.
Kortsluiting.
Fik.
‘Het gebouw mag als verloren worden beschouwd’.

Het gebouw, waarin acht jaar mijn enige echte school school.

Het gebouw, waar ik Simon V. zag bij de de colleges van Lietaert Peerbolte.

Waar ik Wim T.S. zag op een bouwkundefeest.
Dus een tijd dat ik ‘interesting people’ inderdaad ‘very interesting’ vond.
Herman B? Misschien ook daar en Long Tall E and the S, geloof ik.
Ik vergeet zoveel.

Waar het atelier Stad-Huis-Landschap van Michiel Polak was.

Waar ik een jaar lang excursiecommisaris was van DBSG Stylos.
Slecht gewerkt.
Kon ik niet.

Waar ik kennis maakte met de activisten van de Projectraad en de AAG (Afdelings Actie Groepen) en zelfs tot mijn eigen persoonlijke schande in de studentenfractie van de AAG in de afdelingsraad zat – als enige niet-CPN-er (maar zeker niet anti-CPN-er) en dat ik, omdat de B van ‘de Bruin’ vooraan in het alfabet zat, als eerste moest stemmen, en dat ik toen de draad van de vergadering kwijt was en precies verkeerd stemde, waarna mijn buurman zei: ‘Je moet vragen de motie nog eens voor te lezen’, wat ik braaf deed.
‘O ja, maar dan bedoel ik dus, eh, tegen’, zei ik, nadat de vraag opnieuw was gesteld, of voor, wist ik veel. Ik snapte er niets meer van.

Waar ik was toen eenentwintig werd of zo (nee later) en op de Krakeelhof een feest organiseerde met een medebewoner van die studentenflat.
Half COC-roze, half ANJV-rood.
Dat zij toen langskwam, die ik later als architecte eens terug zag op TV West maar die toen zich opzichtig als mijn cadeautje gedroeg en dat ik dat volgens A niet eens doorhad.
Ik had A nog nooit jaloers gezien.

Waar ik inderdaad heel erg naïef was.

Waar ik, later, in pauzes, sjekkies (Samson, blauwe Rizla) deelde met G, na haar relatie met P. Tot het moment dat ik het toch maar beter vond haar terloops te vertellen van mijn A en onze zoon, waarna ik haar zag slikken.

Waar het eindexamenfeest was van J. en de zijnen.
Joe Jackson: I’m The Man, die tijd.
Dat ik toen L aanbood haar naar huis te rijden.
Dat zij dat geen goed idee vond.
Dat ik niks van plan was, maar dat zij dacht, dat ik dacht en meer van zulke ingewikkelde dingen. Denk ik.

En meer.
Sipke.
Nanda.
Teun, Ernie, Eric, John.
Verdikkeme: Ton, Joop.
Janne, Paulien, Chrit, Henk, Chris, Leen, Max.
Daar vergeet ik zomaar even Wil, Nee ik.vergeet niet Wil.
Noch Peter, Mieke, Jan Roelf, Adje, Ronald, Loes, Nelleke en de rest.
En bijna ook: alles dat iedereen kwijt is die er nou zit.
Sorry, zegt de ikman.

Een gebouw is maar een ding.
Jammer dat het stuk is.
Het was een mooi gebouw.
Van Van den Broek en Bakema.
Meer Van den Broek dan Bakema?
Ik begrijp dat het toch écht Bakema’s kindje was.

Er waren van die mooie ranke kolommen bij de ingang.
Fataal ranke kolommen.
‘Te rank’,  legde iemand van bouwconstructies ons ooit uit.
Stoer, dat juist die het hielden na de brand en die bij de kantoortjes niet.

gebouw van bouwkunde, 13 mei 2008

Ik sprak er ooit met met Bakema, over het Poolse architectenpaar Helena en Szymon Syrkus, al doet dat hier niet echt terzake. Excursiegedoe.
Zei die ineens, dat ik wel een goede voornaam had, voor een architect.
Zijn voorletter was ook J voor Jacob.
Ze noemden hem Jaap.

Een misrekening.
Ik vond mezelf toen misschien best wel een goede architectonisch ontwerper, maar ik was geen architect.

Dag, lief gebouw van bouwkunde, rust zacht.
Kus.

Soms moet je stoppen met schrijven. Misschien kan je zelfs beter vaak stoppen met schrijven en gewoon beginnen te lezen. Adem in. Adem uit.

Nu komt er alweer zo’n herinnering boven drijven.
Excuses, hij zit maar in mijn hoofd te drammen. Ik moet hem even uitlaten.

Ooit studeerde ik bouwkunde in Delft. Mijn jaren zeventig. Ik heb daar weinig mee gedaan. Ik bedoel niet alleen dat er geen gebouw is gebouwd dat ik heb ontworpen, maar ook dat er door mij geen enkel compleet gebouw is gedroomd. Dat klinkt misschien weemoedig, maar zo bedoel ik dat niet. Ik doe andere dingen. Leuke dingen en ik kan me, misschien juist daardoor, voorstellen dat ik nog heel andere dingen ga doen.

Leuke dingen.

In mijn hoofd zit nog steeds heel veel dat in mijn bouwkundetijd daar is vastgebakken.
Ik vind dat heel erg logisch. Het was per slot van rekening een tijd dat ik onbevangen in een wereld aan het shoppen was. Dan pik je wat op her en der. Ze bekabelen we ons eigen brein.

Het gaat vandaag om een bepaald jaar dat ik in het atelier van Michiel Polak studeerde.
Atelier was destijds op de Delftse bouwkundeafdeling de benaming voor een soort van werkgroep, waarbinnen je je projectonderwijs volgde. Gegroepeerd rond voor ons destijds belangrijke thema’s. Maatschappijcritisch, architectuurtheoretisch, puur technisch. Soms gewoon adhoc.

Polak was één van de assistenten van Aldo van Eijck, die een eigen richting uitging.
Een schimmige richting, maar oprecht en gedreven.
‘Stad, huis, landschap’ heette dat atelier en binnen mijn vriendenkring was het een nogal verdacht atelier van navelstaarders.

Polak liet zich bijvoorbeeld in met de Bres/Planète psychiater-van-het-voorgeboortelijke-trauma Lietaert Peerbolte en op hun gezamenlijke colleges kwam Simon Vinkenoog wel eens even buurten. Allemaal heel gezellig.
‘Psychodynamica en architectuur’ of andersom. Zo heete de collegeserie.

Maar: was het dan niet ongepast je als linkse activist je in zulke kringen te bewegen?
Totaal irrelevant immers, wat moest het volk daar nu beter van worden?
Het waren de vette jaren van de beide bezettingen van het hoofdgebouw van de TH, van het bezoek van Jane Fonda aan Delft op uitnodiging van het Medisch Comité Nederland Vietnam, van de strijd tegen de 1000 gulden collegegeld, van het als bouwkundestudent meedraaien in bewonersorganisaties en, iets later meen ik, de krakersrellen in de Nieuwmarktbuurt?
Daar diende je je mee bezig te houden.

Relevantie. Engagement. Maatschappelijke betrokkenheid.
Heb ik geprobeerd, ook.
Na dat jaartje psychodynamische stad-huis-landschapsarchitectuur moest ik wel.
Niet vanwege sociale dwang, maar gewoon van mezelf.
De reden waarom daar zou een psychodynamicus wel een …, ja zeg: ik ga hier niet alles op tafel leggen. Ja zeg, hee. Nou zeg.

Het belangrijkste wat ik in het jaar Michiel Polak denk te hebben geleerd is kijken.
Van de Minoërs tot aan de Nieuwe Zakelijkheid.
Overeenkomsten, verschillen, ontwikkeling.
Werk van architecten als Schinkel, Loos en Stirling.
De stedebouw van Claude Nicolas Ledoux, Tony Garnier, Ivan Leonidov.
Vrolijk construeren met Jean Prouvé.
Dada van Van Doesburg, Schwitters, Lissitzky, Arp.
En ook Odilon Redon. Die kende ik nog niet. Schrok ik van.
Leren van de fouten van die irritante Piet Blom, de innemende Jacob Bakema en die zo vreselijk foute Delftsche School van Granpré Molière.

Waar zitten al die namen toch?

Het zinnetje dat ik me vanochtend ineens herinnerde was van een studentenassistent tijdens een tussenbeoordeling. Ik denk dat het Tjerk Ruimschotel was. Een mens met deze naam bestaat echt. Zo’n naam onthoud je wel, hoewel je ook zonder enig reden ontzettend veel meer onthoudt. Er was bijvoorbeeld ook zekere, Jan van der Woude, waar ik verder niets mee te maken had, maar blijkbaar waren ergens nog wat draadjes over.
Tjerk, geërgerd, verzuchtte: “Ik snap niet dat jullie allemaal je werk zo presenteren. Is het niet symptomatisch dat je nergens meer een collage ziet. Al-le-maal te-ke-nin-gen. Allemaal eigen werk. Kijk nou verdomme eens een keer naar buiten. ”

Dus nu eens iets anders.
Ik ga even niets schrijven. Lezen.
Ik leg een leesladder aan.


Tja, je weet maar nooit, immers http://livingheritage.org/three_princes.htm
Maar, nog even dit voor de zelfbevestiging van mijn eigen bestaan: de naam van Michiel Polak (de bovenbedoelde Michiel Polak) googlede tot vandaag naar maar twee links.
Maar als hij bestaat zal mijn herinnering aan hem ook wel echt zijn.
Ten eerste: http://www.scala-architecten.nl/artikelen/artikelJ.html
Dus ergens verborgen binnen http://www.scala-architecten.nl/ de stek van Mieke Bosse en Prouvé- en Rietveldfan Peter Drijver .
Ten tweede: www.vpro.nl/data/laat/gedachtengoed/reurb.html – na de witte twee.
Goh. Paaseiland? Paaseiland. Bah. Die link naar het Paaseiland werkt niet. Stom internet.




Ten slotte: het zelfportet van de constructeur – El Lissitzky.
Het slot van de miniserie: het is ineens een miniserie geworden.

Lazar kijkt door het ruitjespapier.
Hij ziet iets rechtsachter mij en groet iemand met een halo.

Denkt hij na over zijn agitprop voor Lenin, Merz, Pelican of Stalin?
Hoe dacht hij in ’40? En hoe zat dat nou met die Sophie?

Daaronder 12 vierkantjes. Om en om – hinkend – al dan niet linkend.