Laat ik maar een verhaal schrijven, bedacht ik.

Het verhaal zou beginnen met een lelijke meneer.
Die lelijke meneer zou voorbijlopen, ik zou dat zien en de rest van het verhaal zou vanzelf komen.
Als ik eerlijk was geweest, had ik geschreven dat een heel erg lelijke mevrouw langsliep.
Ik schreef over die lelijke meneer, omdat in werkelijkheid zojuist een heel lelijke mevrouw langsliep en ik haar niet wilde kwetsen.
Toen ik hier lang genoeg over had nagedacht was het verhaal alweer uit.

Het is een vaag verhaal en helaas moet ik bekennen dat het alleen maar over mezelf gaat.

Advertenties

Ik vind mooi weer mooi, maar!

Even een verslag van een stukje zomerse dag binnenskamers.

Er is rust in het rookhok.
Er zijn mannen.
Alleen mannen.
Nu komt nóg een meneer binnen.
Deze wacht even en zegt dan: ‘Zie ik er niet zomers uit!’
Ja, witte broek, gebloemde bloes en het staat hem. Dat mag gezegd.
Dan volgt het gesprek.
Zijn vraag. Waarom hij nou expliciet om een compliment moest vragen. Nou?
Ja, dus, duh, want wij-mannen zijn mannen, hè.
Die zien dat niet, je moet ze sturen.
Met: ik ben naar de kapper geweest en zo.
Via zonneschijn komt het gesprek op de bikini. Ja hè: mannen.

Uit de sombere hoek gaat het ineens over de Bikini Eilanden en kernproeven.
We kennen de rugklachten van deze meneer. Zijn slaapprobleem. Migraine.
Via radioactiviteit stuiten we op Muroroa.
En erger.
Links passeert ons de angst voor het uiteenvallen van staten.
Rechts de zwarte markt voor plutonium, vuile bommen, gatver.
Mannen.

De roker uit de hoek verlaat het hok en we keren schaamteloos lacherig terug naar de bikini as-is en andere luchtigheid.
Erg. Heel erg.
Ik stel bijvoorbeeld de zomers geklede man gerust, dat ik me hém niet in een bikini zal  voorstellen. Ik heb immers geen fantasie.
De zomerse man belooft niet meer naar complimentjes te vissen.

Hi-hi-hi, ha-ha-ha en ik maak de sigaret uit, die vroeger nicotine en teer zou hebben bevat, maar dat laatste is tegenwoordig vervangen door meer dan 70 verschillende kankerverwekkende stoffen (zie pakje).

Dobbelen, dobbelen, dobbelen.

 

 

you me & us ‘I am an Old Man’ (Daevid Allen, Chris Cutler, Yumi Hara Cawkwell)

Nou, zo kon het dus ook op 21 April 2013. Een muziekgedicht van Daevid Allen.
Wil je alseblieft niet zeuren over ouder worden et cetera.
Ik vind dat er een echte, d.w.z. bestaanbare, meneer aan het woord is, dat ik die misschien beetje snap.

Read More

speelgoedverkeer

Oei, oei!

 

Hoofdstuk I

Jaapje speelt op straat, niet op de stoep.
Wat doet hij?
Hij tolt.
Wat heeft hij een pret met tollen.

 

Hoofdstuk II

Vlak bij de put langs.
O Jaapje, wat een gevaarlijk spel. Midden op straat.
Ja ja, dat is waar.
Toet! Toet! Een auto. Jaap rent weg, maar gaat weer tollen op de straat.
Toet! Pieieiep, daar zat hij onder d’auto.
Zijn moeder kwam.
En ook andere mensen.

 

Uit

Ooit vond ik bij mijn ouders op zolder een schoolschrift met onder andere deze korte tekst in mijn kinderhandschrift.
Zelf verzonnen, overgeschreven, een dictee?  Ik weet het niet meer.
Ik zou het leuk vinden als ik dit in 1961 schreef, toen ik 8 jaar was, omdat dat zulke mooie getallen zijn. Puntsymmetrisch (dus op de kop nog steeds leesbaar als 8 en 1961, strobogrammatisch), maar dat heeft verder geen betekenis. Vergeet maar.

Ik heb het gevonden verhaal overgeschreven en heb nu helaas alleen nog maar deze kopie.
Doordat niemand anders het toen heeft gezien en ik er tot nu toe met niemand over sprak, ben ik de enige, die zeker weet dat alles, wat ik zojuist schreef, naar waarheid is.

Fijn!  Ik kan zelf bedenken hoe de woorden in dat schrift zijn gekomen.
Mijn favoriete verzinsel is dat het mijn eerste en enige novelle is, geschreven in opdracht van juf Nauta.

Op een maandagochtend rende ik namelijk naar school.  Voordeur uit, stoepje af, ons straatje uit langs de speeltuin. Linksaf een stukje Valeriusstraat naar de oversteekplaats (was daar al een zebra?) met de knipperbollen ter hoogte van de Telemannstraat.
Rechts van mij gierden de remmen van “d’auto” en ik sprong naar links midden in de rozenstruiken tussen hoofd- en ventweg.
Ik keek niet om, maar liep nu rustig verder met bonzend hart en benen vol schrammen en druppeltjes bloed. Niks aan de hand.
Juf had alles gezien, maar ik loog in de klas, dat er die ochtend onderweg niets was gebeurd en bedacht dat het wel een ander jongetje moest zijn geweest.
‘Oei, oei, het verkeer is zo gevaarlijk!’, zei ze.  ‘Jullie moeten vanochtend  maar een speciaal opstel schrijven.  Een verhaal over een jongetje, dat Jaapje heet en heel gevaarlijk doet in het verkeer. En jij, Jacob, doe maar goed je best, want jij moet het straks voor de klas voorlezen!’
Dit opstel zou “Oei, oei!” worden.

Thuisgekomen vroeg ook moeke mij of er iets was gebeurd op weg naar school en ook tegen haar loog ik dat er niks bijzonders was.
Ik wist toen nog niet dat zij elke dag, als ik naar school ging, boven vanuit het badkamerraam mij op weg naar school volgde, zolang ze mij kon zien.  Tot in de Telemannstraat.
Ook zij had dus alles gezien, maar ze zei niets.  Ze keek alleen raar.  Zo anders dan anders en ik snapte het niet.

Hier hebben we nooit over gesproken.

/* ontwerp voor een eenvoudig wisseldienstrooster */

eet ze
werk ze
slaap ze

eet ze
slaap ze
werk ze

slaap ze
eet ze
werk ze

slaap ze
werk ze
eet ze

werk ze
slaap ze
eet ze

werk ze
eet ze
slaap ze

Tunnel en spiegel

laatste tunnel en zijspiegel

Terwijl we de tunnel inrijden is er nieuws op de autoradio.
De zender valt weg, maar ik hoor het nog net.   Er was iemand overleden.

‘Godverdomme!’

‘Pardon?’

‘Er is iemand dood!   Dat is klote.’

‘Gaat er niet altijd iemand dood?’

‘Nee, deze niet.  Nooit.  Het mag niet.  Hij was gewoon te jong.’

‘Kende jij hem dan?’

‘Ja.  Zijn naam kende ik.’

‘Maar toch niet zelf persoonlijk, hoop ik?’

‘Nee,  Maar ik kende hem wel.   Hij was best wel bekend.   Als je toch in het nieuws…’

‘Ik kende hem niet. ‘

‘…, …, ja, …, jij!’

‘Zeg, je gaat nou niet zitten sippen, omdat die en die dood is, terwijl je hem niet eens persoonlijk kent , hè.’

‘Ik wil dat het niet waar is.  En hij had een gezin.  Verdriet. En ik vind het zo zonde!
Iedereen gaat dood, oké, en toch: ik had hem zelf zo graag ooit nog ergens gezien.
Écht zonde, zo …’

‘Ja zeg: ik dit, ik dat.  Je bent alleen maar met jezelf bezig, hoor je dat dan niet?’

‘…’

‘ Als je maar niet weer in zo’n stomme depressie schiet.  Niet nu …’

‘…’

‘… want ik trek dat niet.  Nou?’

‘Ach, nee.  Ik kende hem eigenlijk niet echt.  Maar het blijft klote. Ik vind het klote.
En dan steeds dat aftellen tot je zelf aan de beurt bent.  Kut.’

Je moet er waarschijnlijk niet teveel aan denken of erover praten, maar wat doe je eraan?
Vermoedelijk wil ik nog niet.  Meestal niet, tenminste.
Moet iemand anders dood voor dit benul?

Tunneluitgang, de.
De autoradio vindt de zender weer.
Een flard reclame nog.  Iemand praat, er is weer muziek.

Best een lange tunnel.
Ik ben het spoor bijster.
Bijna vergeet ik me te schamen.