[F]

ik zit vol met wangen
ik was zo tegen kietelen dat ik helemaal zou gaan

nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, het zijn m’n wangen

hoe voel je je als je
vol wangen en wangen zit?

[G]

ik ging naar school
omdat ik me op mijn gemak voelde
hoewel het een prachtige school is

zoals [X¹], heeft ze [X²],
dus ze heeft gedacht dat ze het goed met haar kan vinden,
maar zodra dit zo ruw is,
het is
hoeft

wat doe je
als ieders verdriet op het punt staat uit te gaan?

Notitie:
Dit gedicht heeft zich automatisch vertaald uit Japans katakana-schrift.
[F] is de lezing van Facebook, [G] die van GoogleTranslate.
De namen [X¹] en [X²] zijn fictief.
De werkelijke namen zijn onbekend maar herkenbaar en vergeten.

katakana toetsenbord

Advertenties

Vandaag voel ik me rot.
Een of ander gedoe met lichaam gedeeld door geest, dat wel weer voorbij gaat en het hoe-waarom-waardoor is iets waar ik niemand mee wil vervelen.
Tot zover de schets van hoe de vlag erbij zeurt.

Ik wil niet telkens weer mijn moeder de internetbekentenissen binnensmokkelen, maar er bestaat een oude foto, waarop zij voorkomt en waarmee ik blij ben.
Ik heb zojuist besloten, dat het mag vandaag.

Het is een foto die waarschijnlijk is genomen toen Elske een jaar of vijf was.
Het was vlak na de oorlog, die toen nog geen eerste wereldoorlog heette en die behalve wat ongemak en schaarste aan veel van de Leeuwarders op deze foto ver weg zal zijn geweest.

Het heeft die ochtend wat geregend en nu is het droog, maar bewolkt en het is feest. Alle meisjes uit de buurt zijn mooi aangekleed, dresscode indien-mogelijk-wit. Hun moeders zijn handig geweest met naald en schaar. Ik noem dit maar even, want ze staan zelf niet op de foto.

Er is een feestelijke poort in elkaar geknutseld. Latjes afvalhout, guirlandes van misschien dat altijd zo lastige crêpe papier. Er staat een mand met bloemen. Achterin zie je een bord met de tekst ‘buurtvereeniging voor onze jeugd’.
Elske woonde in de Anjelierstraat in de buurt die tegenwoordig Oldegalieën/Bloemenbuurt wordt genoemd en de foto kan in de Willem Sprengerstraat zijn genomen. Ik herken de plek niet.

Daar staan ze dan. Stil, met de suggestie van een defilé. Langs de kant wat publiek. Jochies met petten, mannen met hoeden.
Het meisje helemaal rechts zal later mijn moeder worden en als ik haar zo zie wordt ik blij en trots zoals je blij en trots door een dochter bent.
Waar iedereen de witte kleertjes smetteloos heeft bewaard , zie ik bij haar rechts bij haar knie een mooie vlek.
Volgens haar zus was Elske een kind dat alles durfde. Spring, klim, gooi, bal, huppel: alles. ‘Een halve jongen.’ Tussen thuis en foto is zij, anders dan de andere meisjes, kind geweest en daar word ik vrolijk van.

Dit is maar het halve verhaal. Ik ken mijn moeder niet als iemand die alles durft van hupsakee en tralala en ik weet niet wat er is gebeurd.
Er is iets gebeurd.

Elske

zijn zakdoek veegt zacht wat belletjes van de lippen die zij zelf nooit heeft gestift – ook

de dunne adertjes op haar wangen heeft iemand anders weggeschminkt

hij kijkt naar de stoelen waar we straks zwijgend zullen zitten

hij denkt iets – hij zal iets hebben gezien

nu hoort hij haar – hij is niet gek – het is

de stem achterin het zangkoor dat bij een lichaam zingt

morgenrood
eens
aan de strijders
de blauwe vaan
rôlje, rôlje, wetterweagen

Vanaf de toren davert Stem over het duizendkoppig publiek.

Stem oreert: ‘Voorwaar, ik zeg u: taal bestaat niet.’

Het publiek, eenstemmig: ‘Nee, niet waar, je roept alsmaar taal, wij horen het wel hoor. Toch?’

‘Welnee, taal bestaat écht niet. Niet écht. Ik heb immers zojuist iets gelezen.’ Stem weer.
Ik las een verhaal, in een boek van K. in dit geval, en toen wist ik het. K. schrijft allemaal verschillende woorden, die ik ken, herken, vaag herinner of waarvan ik een betekenis mag raden. Maar taal zèlf? Die bestaat niet. Ze probeert iets met teveel woorden, maar dan nog niet genoeg om taal taal te maken. En ik heb gelijk. Retorisch bevraagd zelfs, want immers dus.’

‘Verklaar je nader, Stem vanaf de toren? Beantwoord het voorgaande vraagteken.’ Dat was weer het voltallig publiek.

‘Er zijn maar twee dingen: welles en nietes. Dit weet zichzelf en verder is er niets.’

‘Zeker weten? Poeh! En de kweenie dan? Huh?’

‘Nee, elke kweenie is een welles-kweenie of een nietes-kweenie. En weer: immers. Want: dus.
Elk woord benadert, maar blijft geluids- en/of gedachtegolf, gesproken, gehoord, herinnerd, gelezen, handgeschreven of getypt met inkt op papier, een reeks pixelpatroontjes op een scherm, ooit met toetsenbord of touchscreen ingevoerd. Gegevensdragers her en der, van alles komt eraan te pas.
Elk woord is een ding wat zich steeds tussen twee ietsen beweegt. Het is nooit het hét wat het had willen wezen. Dat. Dus, immers: want.’

Het publiek mort in stilte. Denkt spaties en: ‘O ja, dat is waar ook: spaties vind je tussen woorden. Enterslagen, tabs.’

‘En ook dat niet.’ Klinkt dit hier nu zomaar? Was dat Stem? Ik weet het niet, je kan niet alles weten.

Stem zelf twijfelt en hoopt te hebben gezwegen.
Er wordt gescandeerd: ‘Rumoer! Rumoer! Rumoer!’
De menigte verzandt vervolgens in de kakofonie, die begin te lijken op het Ware Woord Van De Werkelijkheid, vol overmoedige kapitalen.

Vanuit het niet langer eenstemmige publiek klinkt tenslotte één stem, best wel helder: ‘Ik ook!’
Alleen dit dus en niemand die het begrijpt, terwijl iedereen het snapt.
Het is goed zo.

Vol schaamte daalt Stem de toren af. Er is een geheime trap.
Gelukkig maar. Hoogmoed, hè?

Ik denk dat de toren in een dal staat. Waarom bouw je nou net daar een toren?
Daar hoor je Stem nooit over.


Tussen oud werk hervond ik ‘In gesprek’ dat ik januari  2014 moet hebben geschilderd. Dit kan ik zo precies dateren, doordat het er op staat, maar ook omdat ik weet waar het is geschilderd en met een vaag idee waartoe.
Het was op een plek waar eenieder diende te werken aan zijn hoogstpersoonlijk herstel van wat dan ook, bijvoorbeeld zweetvoeten, maar dan hinderlijker voor jezelf en jouw omgeving.
Uit baldadigheid probeerde ik niet-therapeutisch te schilderen, maar gewoon iets gewoons op een manier die voor mij ongewoon was.
Ik heb het steeds weer willen wegschilderen. Wit, wit, wit. Weggooien zelfs. Het komt er nog steeds niet van. Met bijna vijf jaar oudere ogen ziet het er klunzig uit. Iets van een veertienjarige die goed zijn best heeft gedaan. De zelfkwelling van ‘Prutswerkje, lekker puh! net goed!’ past me wel.

Laat ik nou net vanmorgen via Facebook een column lezen van Erik Jan Harmens uit Trouw ‘Ik ben verslaafd aan roken, alcohol, en, als ik eerlijk ben, Facebook, Instagram en Twitter’ en laat ik nou net geen Instagram en Twitter doen, maar wel zoals hij onbehoorlijk hoog scoren op verslavingsgevoeligheid.
Alcohol staat ergens weggeparkeerd.
Facebook is niet misselijk prominent aanwezig, tot ergernis van iemand die ‘Zeg ik praat tegen jou!‘ zegt als die tegen me praat.  ‘Ja, ik luister wel.’
De sigaret? Ik durf niet stoppen, maar daarover zeuren is ook zoiets. (Weet je nog ooit in Hongarije: waar koop je hier nou in hemelsnaam sigaretten? Wat moet ik met mijn handen als ik niets doe? Hoe kan ik me zonder in mezelf terugtrekken?)
Het erkennen van een verslaving is altijd stap 1 en ik ben al bijna op de helft.

Maandagochtend

Omdat ook nu het maandagochtend is herinner ik me een niet eerder opgeschreven herinnering aan een bepaalde koude droge maandagochtend.
Het was nog in de tijd dat de buurtsuper niet op zondag open was en ’s ochtends ook niet al te vroeg.
Ik had net mijn fiets gepakt om naar het werk te gaan. Ik deed het hek van het slot en hoorde dat achter de schutting mijn buurman aan kwam lopen.
‘J., heb je misschien een sigaret van mij? Ik zit zonder. Gister laat geworden. Gezellig enzo, maar nu zit ik zonder. Ik ga zo naar de winkel, maar eh….’
‘Natuurlijk, M. Hier heb je er twee, drie? Voor straks nog één.’
‘Nee, één is genoeg hoor, dank je. ‘ 
‘Wil je een vuurtje?’
‘Nee, dank je. Ik wacht nog even hoor. Bedankt, werk ze, hè.’
‘Van hetzelfde, fijne dag.’
Terwijl ik met mijn fiets de weg op draai hoor ik achter mij de aansteker van M., terwijl hij de deur in de schutting sluit.

 

die meisjeslach in de toonzaal

de dagstart net opgeruimd afgesloten met
high five en goede voornemens
zondagochtend

de draaideur
heet welkom – mij welkom
met goedemorgen

en de trap
heet welkom – mij welkom
met goedemorgen

de stoel – de bank – het kussen
de tafel – de lamp
de kast

alles
heet welkom – mij welkom
met goedemorgen goedemorgen goedemorgen

en 100x de zwartwitte vrouw
likt zwoel aan geile lolly
(diverse maten)

en 100x de wandtekst
only dead fish go with the flow
(diverse materialen)

en 100x mijn goede wil
ik kan het niet en ik (welkom)
snap het niet (goedemorgen)

en 100x wie nu
nog eenmaal
goedemorgen zegt

gaat gestrekt
of niet
maar dan

het meisje van de koffiekassa die
hier – hoewel ze toch zo goed kon leren –
haar goedemorgen besluit met geniet er van

het spijt mij van haar oog
haar gescheurde lip
haar tranen

of niet
zelfs niet die ene trap
naar dat vrolijk huppelhondje

dat toevallig welkom heet

ik was boos droevig in de war misschien
heb gezocht iets
gedaan

twee vierkanten wit geschilderd
één rechthoek hard rood
tenslotte

op zoek naar mildheid
een laatste vierkant
zachtjes geel

uiteindelijk heb ik moeten beamen
acryl is geen therapie maar
dat wist u al