Gerucht [ acryl, 30×40 ]

Advertenties

Soms is dit heel even een mooie tijd, zo
één die antwoord op vragen geeft.
Ik dacht vandaag aan dat ene nummer van Pink Floyd met die leeuwerik, kon er niet echt opkomen en vroeg het aan mijn mobiel die zei ‘immers, joh, Grantchester Meadows, van Ummagumma, toch?’

Inderdaad, desafgespeeld: leeuwerik in een tape-loopje, er komt een meeuw langs en tekst plonst een ijsvogel in een beekje of zoiets.

Mijn vriend A. had de dubbel elpee Ummagumma, ik had de Third van de Soft Machine. Geruild en opgenomen met de bandrecorder (met microfoon vanaf de pickup).
Ik speelde het later op mijn kamer af, raam open, ruisen van populieren. Merels en mussen. Zon.
Het tikken en slaan van de Friese klok, die ik bij de opname vergat stil te zetten.

Het is zo rustig droef en past naadloos bij mijn kalme, berustende somberheid van toen.
Ik heb geen zin uit te rekenen of ik toen exact 16 jaar was.

https://youtu.be/uvKO-qhWOL8

we zijn een storm door manshoog maïs
iets onzichtbaars erachter
gaat weer voorbij

eerst moet er iets kapot
staccato, staccato, hè
van die woorden

we stellen elkaar het ultimatum en
nog één en weer en volharden
in onmogelijke eisen

steeds deze twee:
hou van mij
sterf niet

‘waarom’ zeggen
op jouw ja-eh-want-immers
opdat je constructief boos wordt:
dit als methode of anders

vragen wat het jou doet als X
wat jij nodig hebt voor Y
woorden zoals Z of Q-Q zeggen
als koevoet van hoop

ondertussen wordt gewerkt
geoefend geslapen gegeten
zijn er gescheiden afvalstromen:
dwz alles in stroom 2

stroom 1 is voor de rest:
plastic medicijnstrips
met naam geboortedatum en medisch jargon
zorgvuldig ingezameld

voor onze wettelijk voorgeschreven privacy shredder
dit terzijde
want
terzijde rest liefdevol leegte

In dit verhaal ben ik een man van 65 in een stadsbus.
Voor mij zit een 83-jarige vrouw. Ze draagt een met zorg uit de catalogus van een Duits postorderbedrijf uitgekozen jas. Modieus, nieuw en prijzig.
We hadden samen lang staan wachten bij de halte voor het ziekenhuis en daar vertelde ze mij van haar twaalf tropenjaren ergens in een niet nader aangeduid Afrika en dat het op 900 meter hoogte wel meeviel met de tropische hitte. Ze had daar gewoond in verband met het werk van haar overleden echtgenoot. Ze zou zo weer terug willen. Hoewel ze al jaren weer in Nederland woonde, was dat nooit meer thuis geworden.
Na een tijdje drukt ze op de stopknop voor de halte waar ik ook uit zal stappen.
Te vroeg staat ze op om alvast naar de uitgang te lopen en verliest bij de zwaai van de bus in de onvermijdelijke laatste bocht haar evenwicht.
Ik vang haar nog net op en grijp haar hierbij stevig vast om haar middel. Intiemer dan bedoeld, maar welkom, blijkbaar.
‘Het gebeurt me niet vaak, dat ik zo door een jonge man wordt vastgepakt’, zegt ze. Ze lacht.
‘Graag gedaan’, zeg ik gemeend. Ik ben niet vaak een jonge man.
We blozen, geloof ik, al zie je er niets van, dan checken we uit en staan we op straat. Het miezert.
Ik steek over en kijk achterom. De vrouw kijkt recht voor zich. Stapt. Ik zoek een beter woord dan dat goedkope ‘kordaat’.
Ze kijkt vooruit, ziet niks, ziet zichzelf. Ze is midden dertig, loopt op die hoogvlakte ergens in dat niet nader aangeduid Afrika en denkt aan iemand.

Onvermijdelijk.
Aan alles ging iets vooraf.
De tijd vlak voordat ik geboren was intrigeert me: alles wat ik zal gaan kennen bestaat al en wacht alleen nog op mijn binnenkomst.
Waar was ikzelf eigenlijk op dat moment en kan dat zomaar: mijn wereld zonder mij?

Pake’s handschrift

Hierboven staat een stukje handschrift in potlood van mijn pake, de vader van mijn vader.
Pake ken ik alleen maar uit verhalen, hij overleed een half jaar voor mijn geboorte.
Beppe’s stem zou ik ook nu nog wel herkennen, maar pake moet ik raden, ik geef hem meestal de stem van mijn vader en dan iets donkerder.

Vanwege de inhoud heb ik het blaadje moeilijk leesbaar gemaakt, al zie je nog wel hoe de hand van pake letters zet.
Regelmatig, met kracht, vlot, leesbaar. Het klopt met mijn vermoeden van die man: sterk en zelfbewust. Waarschijnlijk dominant.
Een man met successen: hij was gemeenteraadslid voor de SDAP, zat na de oorlog in een tribunaal voor de berechting van politieke delicten, was trouwambtenaar en werkte zich op bij de Keuringsdienst van Waren. Hij bestond.
Hij ging wel een paar keer flink onderuit met die winkels van de Coöperatie in Ternaard en Wormerveer, hij mislukte daarvoor ook al als aardappelboer en deed later ook nog wel eens iets doms op huizenveilingen.
Dit alles in ieder geval met veerkracht, durf én een motorfiets.
Ik vermoed dat mijn ‘De Verovering Van Het Brood’ van Kropotkyn uit zijn boekenkast komt. Iets anarchistisch past wel in mijn romantische beeld van een jongere Pake.

Het afgebeelde blaadje beschrijft zijn drie kinderen met hun gezinnen, onder andere dat van mijn vader en moeder met hun vijf kinderen: een, ook zonder mij, compleet gezin.

Op een ander blaadje staat nog een ander tweede, jong gestorven kind met dezelfde naam als mijn vader.
Er staat bij dat deze is overleden bij een keeloperatie in verband met difterie en dat zijn lichaam in verband met besmettingsgevaar niet naar Ternaard mocht worden vervoerd en dus in Leeuwarden is begraven. Een zakelijk verslag van verdriet. Tien maanden later werd mijn vader geboren.

Beethovenplantsoen in aanbouw

In 1950 verhuisden mijn ouders met vijf kinderen naar het huis, dat op de foto hierboven in aanbouw is; eigenlijk links net buiten beeld.
Dit huis werd mijn thuis in de achttien jaren dat ik in Leeuwarden woonde.
Toen deze foto is genomen, was ik er dus nog niet, al herken ik de plek. De fotograaf stond voor nummer 8 in de latere speeltuin.

In dit huis op nummer 6 ben ik trouwens niet geboren, maar hoogstwaarschijnlijk wel verwekt.
Daar. Mijn ouders, dus.
En die tafel later, waaraan ik hen van nabij zag, vaak in moeilijk vaarwater.
Een beeld vormen van dat allereerste moment, ongeveer ten tijde van De Ramp in Zeeland, ongeveer 9 maanden voordat ik geboren ben?
Het lukt me niet.
Ik vermoed liefde en hoop op lust.
Ik verzin soms zelfs dat het ongenadig stormde.