Advertenties

Maar de stem.

“Ik hoorde van haar dat onze afspraak agenda-technisch niet door kon gaan.
Ik dacht iets lelijks over het woord ‘agenda-technisch’.
Het was een best wel aardige mevrouw en ik schaamde mij over mijn hoogmoed.

Het is de meneer naast mij op het bankje dat we samen hebben bedacht.
Verzin er zelf maar een parkje bij en een zonnige dag. Vroege herfst.
De man doet nog wat zeurderige ontboezemingen. Ongevraagd. Heel onprettig.

Geen idee wat hij hiermee wil zeggen en waarom juist aan mij.
Ik zwijg en denk iets naars over woorden als  ‘schaamte’ en ‘hoogmoed’.
Noodzakelijkerwijs is het iemand met een voorkomen, gelaatstrekken, kledingstijl en een bepaalde motoriek, maar ik wil het niet weten. Rode veters in zwarte schoenen, bijvoorbeeld.
Daar heb je het al. Nou begint die ook al over ‘overlevingsstrategie’, ‘schuld’ en ‘boetedoening’. ‘Daadkracht’.

Ruis.
Misschien valt ergens een blad.
Een zonnevlek op een paadje.
De geur van rottend blad. Verse paddestoel.
Wolk. Wolk. Wolk. Wolkje.

Ik schuil en denk ondertussen genoeglijk aan de moeizame rijping van de laatste bosaardbei in de tuin. Deze ik heb gevolgd vanaf de bloei eind augustus tot nu, begin oktober.
Ik was er van overtuigd dat het niet goed zou komen en had ongelijk.

Natuurlijk zijn er ook belangrijke zaken.

de laatste bosaardbei

de laatste bosaardbei

 

 

 

nee
het is niet waar
jij zal er straks weer zijn

je heet ons welkom
met knuffel kus koffie en
wat ben ik blij je hier te zien

dan zit je stil in je hoofd
luistert en als wij zwijgen
vertel je alles van geluk en schuld

warme woorden zonder wanhoop
met knuffel kus maar stil en scheef
want jij en wij want jij

 

hij houdt van
de lelijke muziek
die hem liegt en

hij zit
terzijde
het is zijn stoel en

hij leest liefst biografieën
– er zijn wereldleiders die
van mooie muziek houden – en

hij likt urenlang
bladzijden bloed
van schurkenhanden en

hij geniet van
mooi en lekker en
alle mensen zijn familie en

hij snapt jou en
jij niet en je moet wel
van hem houden en

hij is al zo lang dood en
jij niet en op youtube
liegt zijn muziek

lege stoel

lege stoel

 

 

 

 

zij wandelt water
hij sleept slik
of andersom

hij kust een schaduw onder de stam
zij wil extra licht op de plaatsen waar wij zitten
of andersom

hardvochtig gesnoeid
zachtmoedig gezaagd
er moet nog gekozen

er moet gekozen
er moet gekozen
of andersom

 

bron afbeelding: 112Groningen.nl – Boom omgewaaid over het Niezijlsterdiep (12-09-2011, Jan Beets)

 

[ voor A., B., C., enzovoorts tot en met Z. ]

Deze tekst bestaat uit twee herinneringen.
Gedicht doen?
Nee.
Te particulier, te veel ongeduld, haast.

Delft 1974.
Met een groep bouwkundestudenten kijk ik naar een scherm waarop een dia wordt geprojecteerd van een postmodern interieur.
Het heeft te maken met Charles Jenks, adhocisme. Google maar.

Preciezer: het gaat om de pilaar (klassiek, Dorisch als ik het me goed herinner), die een balk ondersteunt, maar daarvoor net te kort is.
Daarom is deze boven het kapiteel verlengd met een korte slanke stalen kolom.

De docent (Michiel Polak) legt iets uit over de ironie, met het droeve van een grap die wordt uitgelegd.
Een spiksplinternieuwe, historiserende, robuuste drager, die met hedendaagse technologie net zo goed rank had kunnen zijn.
Michiel vraagt respons uit de groep en wijst naar mij of noemt mijn naam en ik zeg iets.

De kolom is hier bevrijd van zijn opdracht de constructie overeind te houden en mag nu gewoon zichzelf zijn.
Zoiets zeg ik, maar dan beter verwoord.
Er komt vast het woord individu in voor, misschien wel zelfbeschikking.
Michiel vindt het treffend verwoord en wil het nog eens herhalen, maar weet de exacte woorden niet meer en vraagt mij te herhalen wat ik net daarvoor heb gezegd.

Op dit moment ontdek ik dat de zin, die ook in de voorgaande alinea niet is uitgeschreven, uit mijn geheugen is weggegumd en ook niemand anders kan zich de tekst exact herinneren.
Een stukje verleden tijd bestaat wel, vol betekenis, maar ontbreekt in taal.
Is dit echt gebeurd?

gebouw van bouwkunde na de brand

gebouw van bouwkunde na de brand

Het andere gaat over liefde en ik ga nu schrijven dat het niet over mezelf gaat. Daar hecht ik aan.
Ik bedenk, dat het over een vrouw moet gaan.
Deze vrouw voelt zich doordrenkt met verliefdheid voor die ene, die ene andere.
Ze weet in een flits van een nieuwe plek achter / boven / binnen in haar neus en van de kruidnagelachtige, zwaarzomerbloemige geur van dat moment. De duizeling, die een dag zal aanhouden.

Op dat moment weet ze ook dé woorden te vinden voor dit iets op dit moment.
Zij spreekt ze niet uit en zal die woorden later nooit meer kunnen herhalen, omdat ze alleen hier en op dit ene moment betekenis hebben.

Een blanco pagina met een gevoel.
Het moet echt gebeurd zijn, maar de tekst is weg.

Hiervan ga ik geen leesbaar gedicht maken en ik heb ook geen idee waarom ik dat zou willen.
Ik zeg niets, ik schrijf maar wat op.
Voor mezelf.
Eng.
Voor de schrijvende aan de lezende ik, ben ik bang.
Omdat ik graag elke woordloze herinnering wil kunnen verwoorden.
Net doen alsof een herinnering echt heeft plaatsgevonden.
Nog steeds bestaat.

Een echte schrijver schrijft voor zijn publiek. Ja ja.